Category Archives for "boekennieuws"

Mongoolse paarden in Shanghai

 

Shaking up the liver

In Shanghai werd meer paard gereden dan in het zuiden in bijvoorbeeld Kanton of Macao. ‘Men dacht dat paardrijden gezond was “to shake up the liver” . De Yang-tse was de zuidelijkste afbakening van het gebied waar in paarden gehandeld werd door de Mongoolse paardenhandelaars, die hun honderden mottige en rafelige wilde paarden naar de jaarlijkse paardenmarkten brachten. De paardjes waren klein en leken eerder op grote honden, maar ze waren niet duur en het onderhoud viel ook mee. Het was moeilijk ze te beoordelen, omdat ze onzichtbaar waren onder een dikke harige vacht. Na een trimbeurt in maart zag je pas hun sierlijke benen, sterke ruggen en korte nekken. Na de aankoop werd het één constant gevecht, waarbij de nieuwe eigenaren veel blauwe plekken en beten opliepen. Zo had Frans een woest, bijtend paard dat Jimmy Gold heette. Hij probeerde het dan ook zo snel mogelijk voor een goede prijs te verkopen  Het was ook moeilijk om hun snelheid te beheersen, want het bit bleef vaak vastzitten achter hun tanden. Als de paarden ingereden waren deden de eigenaren mee aan de races in de lente en de herfst en werd er verwoed gewed.

The Lighthorse Brigade

De jonge buitenlandse mannen in Shanghai in de jaren 1920-1940 reden paard als vrijetijdsbesteding. Maar ze  stonden ook vroeg op om te trainen voor de races of voor de Lighthorse Brigade. De handelssteden in China werden onder andere verdedigd door dit soort vrijwillige brigades. Het Chinese achterland om de steden heen was niet veilig en er waren van tijd tot tijd heftige uitbraken van vreemdelingenhaat. Vroeg opstaan en paardrijden betekende vroeg naar bed gaan. De jonge mannen boden zo weerstand aan de verleiding ’s avonds de stad in te gaan met alle verlokkingen van dien. Sporten als tennis, cricket en snelwandelen waren om die reden ook zeer geliefd.

 

Light Horse Eastern Trainig camp 1922                                                                           Frans op Jimmy Gold

 

De compradores en de verdragshavens

Fingerspitzengefühl

Hierboven een foto (in twee delen) van een compradore (Portugees voor inkoper) d.w.z. een handelsagent of merchant. Deze agenten of tussenpersonen speelden een cruciale rol in de handel tussen de Chinezen en de westerlingen, in de periode vanaf het midden van de negentiende eeuw tot 1949. Hoewel grote verdragshavens als Hong Kong, Shanghai en Tientsin een open door policy hanteerden, hetgeen betekende dat de handel vrij was, waren deze Chinese tussenpersonen onontbeerlijk. Zij wisten precies hoe je een goede deal kon sluiten. Ze wisten precies wie betrouwbaar was,  welke egards je in acht moest nemen, kenden de Chinese systemen van maten en gewichten en stonden bovendien garant voor de betalingen en het vervoer van de goederen. Ze vroegen een commissie op alle transacties en werden zo puissant rijk. Vaak waren bedrijven joint ventures van Chinezen en westerlingen. De  buitenlandse taipans konden niets beginnen zonder het Fingerspitzengefühl van de compradores.

Eindeloos geduld

Anneke herinnert zich nog van de tijd in Tientsin, dat handelen een speciale mentaliteit vergde. Vader Frans had ook een compradore. Als je wist dat er een partij te koop was moest je psychologisch en tactisch bieden, loven, een bod aannemen of verstoten, of een nieuwe bid doen. De Chinese partij vroeg soms belachelijk veel. Sommige handelspartners lieten haar vader eindeloos wachten. Talenten als diplomatie en hoffelijkheid waren onontbeerlijk. Je moest vooral gezichtsverlies bij de Chinezen voorkomen. Anderzijds moest je je ook niet laten beetnemen, want de Chinese handelspartners waren zeer gewiekst. Annekes vader voelde dat goed aan en wist scherp te onderhandelen. Hij wist ook dat er over de Hollanders gezegd werd in China: “In matters of commerce the fault of the Dutch is giving too little and asking too much.” Anneke mocht haar vader vaak helpen met het decoderen van de telegrammen, want alle transacties gingen per telegram.

Op bezoek bij de compradore

Op  feestdagen als bijvoorbeeld Chinees Nieuwjaar ging het hele gezin de Jongh op officieel bezoek bij de compradore. Frans ontving dan kostbare geschenken. Zijn compradore had twee vrouwen. De eerste vrouw had representatieve taken en nam de honneurs waar. Ergens anders in huis woonde het concubineliefje. De Europese kinderen vonden het verwarrend om goed om te gaan met beide vrouwen.

 

Terug naar China, eind 1939, met de Conte Biancamano van Genua naar Shanghai

Bij het zwembad

Oorlogsdreiging

In Europa nam eind 1939 de dreiging van een oorlog nog steeds toe, dus wilde Frans zo snel mogelijk terug naar China, zolang het nog mogelijk was. Hij kon overigens op dat moment niet vermoeden dat hij na zijn vertrek naar China zijn Hollandse familie jarenlang niet meer zou terugzien, hoewel hij wel merkte dat het nu al moeilijker werd om een grote zeereis te boeken.

De luxe S.S.Biancamano van de Lloyd Triestinolijn

Ze gingen ditmaal met een oceaanstomer van de Italiaanse lijndienst, de Lloyd Triestinolijn, de S.S. Conte Biancamano. De reis duurde van 23 november tot 22 december 1939. Het vertrekpunt was Genua, waar Frans en zijn gezin door een verduisterd Duitsland heen reisden. Duitsland was al sinds augustus in oorlog met Engeland, dus daar gold al spertijd. De treinreis door dat donkere Duitsland was zeer unheimisch. In München moesten ze in het stikdonker overstappen op een andere trein.

De Conte Biancamano was een buitengewoon luxe passagiersschip. Anneke heeft erg goede herinneringen aan deze reis ‘met een zwembad aan boord, leuke Italiaanse obertjes, elke dag pasta, ravioli’s en spaghetti’s met lekkere sausjes; het was een heerlijke reis’. Er was het gebruikelijke tijdverdrijf. Spelletjes aan dek zoals deck quoits en een fancy dress competition. Deze reizen waren altijd heel ontspannend voor Willy, die dan echt vakantie had. Ze had nu geen huishoudelijke taken en de kinderen werden beziggehouden. Er werd eerst aangelegd in Napels, waar vader de kinderen trakteerde op een rijtoer in een rijtuigje, van waaruit ze de Vesuvius zagen. Vervolgens ging de reis door de Golf van Aden. In Aden gingen ze ook van boord. Anneke raakte daar onder de indruk van de lijkverbrandingen en de rondcirkelende gieren. Na Aden deden ze Colombo aan. Nog een aanlegplaats was Singapore, waar ze de publieke tuin bezochten van een rijke Chinees die daar apen hield. De laatste stop vóór Shanghai was Manilla.

Vertrek uit Napels

 

Een sobere kerst

Op 22 december kwam het schip aan in Shanghai, waar de chique warenhuizen helemaal in Christmas sfeer getooid waren. ‘Het was prachtig, het was zo leuk om te zien’, aldus Anneke. Een kleiner kustschip bracht het gezin naar hun woonplaats Tientsin. Het vertrok vanuit Shanghai op tweede kerstdag en kwam op 26 december in Tientsin aan. Het huis was kil en ongezellig. Er was geen kerstboom, geen cadeautjes, geen kerstsfeer, niks! Anneke beleefde het als een enorme domper. Ze riep tegen haar ouders: “t Is toch Kerstmis?”

 

 

Van Harbin naar Amersfoort met de Transsiberië Express

 

 

10 mei, klaar voor vertrek: Frans en Willy met hun vijf kinderen voor het Yamato Hotel in Harbin

Kaviaar bij het ontbijt

In 1939 ging het gezin De Jongh voor de tweede keer op verlof naar Holland. Ze gingen een jaar eerder vanwege de oorlogsdreiging in Europa. De reis ging dit keer niet met de boot, maar met de Transsiberië Express en zou van China tot in het Gooi elf dagen duren, in plaats van vijf à zes weken met de boot. De reis was dus aanzienlijk korter ondanks een gemiddelde snelheid van zestig kilometer per uur en de veelvuldige, langdurige stops die de trein maakte. De trein vertrok uit Vladivostok, maar ze konden al in Harbin opstappen. Eerst ging het in de trein van Tientsin naar Harbin waar ze in het Yamato Hotel, een Japanse keten, logeerden. Harbin, een stad in Mantsjoerije, was van 1904 tot 1905 in het bezit geweest van Rusland. In 1905 viel het in handen van de Japanners. Vanuit Harbin ging de reis over Vladivostok, Irkoetsk, Tomsk en Moskou. Ze hadden met hun gezin twee hele compartimenten in de trein tot hun beschikking, waarvan er een als speelruimte gebruikt werd. De ramen konden met rolgordijnen verduisterd worden. Op 9 mei vertrokken ze uit Tientsin. Er is een foto gemaakt van hun vertrek. De ouders hadden deze reis goed voorbereid en ze brachten veel spelletjes, zoals knipselspelletjes, en boeken aan boord. In de trein reisde nog een gezin; een Engelse familie met drie jongetjes. Met hen maakten de kinderen een hele circusvoorstelling, waar de ouders naar kwamen kijken. De Russische obers hadden schik in al die kinderen en verwenden hen gruwelijk. De steward vroeg iedere ochtend aan Anneke, die hij Anouschka noemde; “You want some caviar?”, waarop ze altijd ja zei, omdat ze het heerlijk vond. “Je bent voor je leven bedorven”, zei haar latere echtgenoot toen hij dit verhaal hoorde.

Wolven in de taiga

Anneke vertelt dat het ook een reuze spannende reis was. Terwijl ze door de besneeuwde taiga’s reden maakte vader de kinderen wijs dat er wellicht wolven te zien waren: “Als je goed kijkt, wie weet zie je misschien wel een wolf.” Anneke voelde zich wel gefopt toen vader achteraf vertelde dat ze geen wolven hadden kunnen zien, want die sloegen natuurlijk bij het geluid van de trein op de vlucht. Vader had daar reuze lol om. Maar het idee dat je een wolf kon zien hield de kinderen goed bezig. Anneke dacht echt dat ze iets had zien bewegen, dat op een wolf leek. Broertje Frans was anderhalf jaar oud en Anneke vond het emaillen potje dat Willy meetroonde heel gênant. Ze herinnert zich van die reis ook het monotone geluid van de rijdende trein en het besneeuwde landschap van Siberië. Er werd een kort bezoek gebracht aan Moskou met zijn Rode Plein. Ze hoorden toen dat de ondergrondse net was voltooid, in 1938. De prachtige stations waren van marmer. De metrotreinen zoefden langs de stations. Alles was even luxueus. De Russen waren apetrots op deze grootsteedse moderniteit. De De Jonghs besloten met de hele familie de stad te bezichtigen en namen de metro. Op een gegeven moment raakte vader bij het uitstappen met Fransje op de arm tussen de deuren bekneld. Met een gezin met jonge kinderen uitstappen duurde kennelijk te lang. Hij kon zich nog net loswringen. Een angstig moment. Maar als Anneke de verdere herinneringen aan deze reis ophaalt wordt ze weer laaiend enthousiast. Ze heeft alles onderweg als één feest en één groot avontuur beleefd.

Na 10 dagen, op 19 mei, kwamen ze in Amersfoort aan en werden ze afgehaald door oom Paul met zijn verloofde Wiesje en zijn zus, tante Wiesje, dit tot teleurstelling van Anneke, die op oma en opa gerekend had.

Anton en Jetje in een van hun rijtuigen, vertrek uit Harbin

Rudolf Dekker spreekt tijdens de boekpresentatie op 8 september 2016

Dordrecht Voorstraat 125, het mooie 18e eeuwse pand van de gebroeders Duinisveld.

Spreker: Rudolf Dekker, coördinator van de Werkgroep (Auto)biografie en Egodocumenten aan het Huizinga Instituut

Kuifje in China

Ik zal hooguit een tipje van de sluier oplichten over het boek dat vandaag gepresenteerd wordt.

En ik moet meteen beginnen te erkennen dat dit de jongste bijstelling van mijn beeld van China is en alleen al om die reden was het interessant om vanaf een vroeg stadium te zien hoe dat tot stand kwam en dat begon dan wat mij betreft met een lezing die Mieke hield voor de werkgroep Egodocumenten van het Huizinga instituut voor Cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. En iedereen die daar bij was, was zeer geïnteresseerd en het boek heeft daarna dan ook in een hoog tempo vorm gekregen. De basis voor mijn Chinabeeld werd midden jaren vijftig gelegd door Kuifje en de Blauwe Lotus spelend in de jaren dertig van de vorige eeuw en dat stripverhaal heeft alle onontbeerlijke ingrediënten. De mythes van de massale kindermoord en het voet inbinden. De archaïsche samenleving met wel een hoogstaande cultuur maar ontwricht door de opium. Arrogante westerlingen en intrigerende Japanners. En in de jaren zestig werd bij mij daaraan weinig  toegevoegd.

Op school leerden we veel over Romeinse keizers maar niets over Chinese keizers. In de jaren 70 volgde ik colleges van professor Wertheim. China was volgens hem inmiddels het mooiste land ter  wereld geworden. Alle mensen waren gelijk onder de leiding van een grote roerganger. Alleen was het nu de derde wereld of ging het nu over een heel andere planeet? Gelijktijdig hielp Simon Leys  met zijn boek Ombres Chinoises ( Chinese schimmen), die daar voor open stond tenminste, mij althans uit de droom. China onder Mao deed niet onder voor Rusland onder Stalin en dan tenslotte daarna bracht de beroemde cineast  Bertolucci met de laatste keizer, The Last Emperor, mij weer helemaal terug bij Kuifje.

Nou ik denk dat mijn achtergrondkennis, of juist het gebrek aan achtergrondkennis, dat ik dat deel met meer Nederlanders, toch meer dan voldoende is om te kunnen genieten van het boek van Mieke over het verblijf van haar oudoom Frans de Jongh in China in de jaren tussen 1919 en 1946

Frans de Jongh: grote nieuwsgierigheid en een kritische blik

Dat boek is, dat is al gezegd , en iedereen weet het,  gebaseerd op zijn brieven en zijn memoires , egodocumenten dus,  en dat is waar onze interesses overlappen. En trouwens ook de privé foto’s die de brieven aanvullen kunnen worden gezien worden als visueel egodocument. Zo’n uitgebreide correspondentie uit die uithoek van de wereld is per definitie zeldzaam en interessant. Mieke heeft er voor gekozen om  de brieven niet integraal uit te geven en ook niet om een boek te schrijven over die tijd in China waarin de brieven dan weer gereduceerd worden tot korte citaten en vooral met een hoog anekdotisch gehalte. Het is een gulden middenweg geworden. Er wordt voldoende achtergrond gegeven om  de brieven te kunnen begrijpen maar de brieven zelf komen via lange en goed gekozen passages ook heel goed uit de verf en tot hun recht. En die achtergrond die zij geeft is natuurlijk nodig niet alleen over China maar ook over de familie, het Nederlandse  thuisfront, misschien niet voor alle aanwezigen maar wel voor de overige lezers. We kunnen dankzij dit boek het China uit deze tijd zien door de ogen van een Nederlander die in 1919 in dat land ging werken zonder Chinees te kennen, en zonder al te veel van dat land te weten maar wel met grote nieuwsgierigheid en een kritische blik en het vermogen om over wat hij ziet en wat hij meemaakt dan weer op zeer leesbare wijze verslag te doen voor de lezers van zijn brieven. Ik geef een paar korte voorbeelden.

In 1919 al tijdens zijn reis naar de Oost ziet Frans de Jongh tijdens het bunkeren van kolen in Port Saïd honderden, ik citeer ‘honderden, kerels zwoegen als mieren ik heb nog nooit zo hard zo onmenselijk zien werken het was hopeloos om aan te zien’ en dan verderop het traject richting de Oost maakt hij mee hoe afgeleefde koelies op de terugreis naar China bij bosjes aan boord sterven. Ik citeer weer heel even. ‘Hier in onze ruime eerste klas kan men niet geloven dat er zoveel ellende nog is op dit kleine schip en niemand die maar ook iets van enig mededogen bezit’. Het is geen toeval dat hij Multatuli’s Max Havelaar heeft gelezen en uit Nederland ook nog een exemplaar van dat boek krijgt toegestuurd.

Typerend is ook zijn verslag van een ontmoeting met een pater die hem vertelt over het vermoorden van pas geboren meisjes en het inbinden van voeten en dan schrijft hij ‘ik zal zelf eens trachten te weten te komen hoe het is’. En het is deze houding die deze en andere egodocumenten zo belangrijk maakt voor historici. Ze geven een unieke en persoonlijke inkijk in het verleden, die totaal verschilt van wat we in andere bronnen, met name overheidsarchieven,  kunnen vinden. Het belang van deze egodocumenten is trouwens nog niet zo lang erkend in wetenschappelijke kringen. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw vond men egodocumenten, autobiografieën, memoires maar ook brieven maar dubieuze bronnen. Historici moesten zich baseren op overheidsarchieven want daarin zou de objectieve waarheid gevonden kunnen worden. Egodocumenten golden toen als subjectief , van twijfelachtig allooi, hooguit goed om hier en daar een illustratieve  anekdote uit te drukken.

Het belang van egodocumenten voor de geschiedenis

In Nederland is dat gaan veranderen sinds Jacques Presser het woord egodocument uitvond en er voor pleitte om ook dat soort bronnen serieus te nemen. In de eerste plaats omdat men zich realiseerde dat bijvoorbeeld de geschiedenis van Rusland onder Stalin niet geschreven kan worden op grond van overheidsarchieven zonder de persoonlijke verhalen uit de Goelag mee te nemen.

Hetzelfde geldt trouwens voor China onder Mao. Maar  ook voor het vooroorlogse China uit de tijd van Frans de Jongh. En hoe zou je uit overheidsarchieven kunnen leren hoe mensen de geschiedenis hebben beleefd. Dat soort mentaliteits- of cultuurgeschiedenis is sinds ongeveer 1980 steeds belangrijker geworden. En dan valt ook op hoe zeldzaam zulke egodocumenten eigenlijk zijn.

Hoeveel correspondenties uit China  in de jaren twintig en dertig zijn er bewaard? Ik denk dat de brieven van Frans de Jongh behoorlijk uniek zijn. Er is vanuit de bibliotheek en het archiefwezen nog maar weinig of eigenlijk niets ondernomen om dit belangrijke cultuurgoed te redden. Er ligt ongetwijfeld nog veel thuis bij mensen op zolder maar hoe vaak is er iemand die het belang inziet en er dan ook nog eens een boek overschrijft. Er is tot op heden nog maar één initiatief en dat is een particulier initiatief, het Nederlandse dagboekarchief, dat heeft ruimte gevonden in het P.J. Meertens instituut in Amsterdam maar dat is afhankelijk van giften, maar heeft wel een mooie verzameling van dit soort documenten opgebouwd. En mijn eigen bijdrage op dit terrein is een volledige lijst plus beschrijving van Nederlandse egodocumenten van 1500 tot 1918 precies voor de tijd dat deze briefwisseling begint

Steeds meer interesse in het verleden van de eigen familie

Gelukkig is er de laatste jaren wel veel meer interesse gekomen voor het verleden van de eigen familie. In dat opzicht past het boek van Mieke in een recente ontwikkeling, die is ingezet met bekende boeken als Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer of Het Pauperparadijs van Suzanna Jansen. Maar een boek als Hier in het Oosten alles wel  is er nog niet en ik hoop dan ook dat het boek veel lezers zal vinden en ik ben ook zeer benieuwd naar de presentatie die nu volgt.

Hieronder de uitnodiging voor mijn lezing op 10 oktober 2014

Huizinga Instituut

Onderzoekschool voor Cultuurgeschiedenis Research Institute and Graduate school of Cultural History

 
 Johan Huizinga

Bijeenkomst Werkgroep (Auto)biografie/Egodocumenten

Datum: Vrijdag 10 oktober 2014
TIjd: Aanvang 14.00 (Borrel na afloop)
Locatie: Bungehuis (Universiteit van Amsterdam), Spuistraat 210 Amsterdam, Zaal 1.01

In verband met de beperkte plaatsruimte, graag aanmelden bij:
Rudolf Dekker: email: rdekker123@gmail.com

LEZINGEN

Mark Loderichs
Dagboek van de Java-oorlog. Het journal de campagne van Comte Edouard Errembault de Dudzeele et Orroir, 1825-1830.

Mieke Kiebert-Melief
Een Amsterdamse familie in China, 1919-1946. Onderzoek gebaseerd op de brieven van Frans de Jongh (1919-1946) en de herinneringen van zijn dochter Anneke Knüppe-de Jongh (geboren 1930).

Presentatie van Jan Struys,
Rampspoedige reizen door Rusland en Perzië in de zeventiende eeuw, uitgegeven en hertaald door Kees Boterbloem (Uitgeverij Panchaud, ISBN/EAN 978-90-820779-3-3).

 

 

Kerstmis in Weihsien

Deze kerstkaart werd gemaakt door een gevangene in Weihsien, het jappenkamp voor geallieerde burgers in Noord-China.  Hoewel er een groot tekort was aan papier, inkt, kleurpotloden of verf, lukte het de geïnterneerden toch om van de laatste restjes mooie kaarten en affiches te maken.  De geïnterneerden waren vaak ernstig ondervoed maar spaarden ook voedsel om met kerst iets extra’s op tafel te kunnen zetten. Voor de kinderen werd speelgoed gemaakt van materiaal dat afkomstig was van de afvalhopen in het kamp. Het was erg moeilijk om te communiceren met de buitenwereld.  Af en toe mochten  de gevangenen een berichtje naar hun families sturen op een klein Rode Kruis formulier. De meeste brieven werden achtergehouden door de Japanse staf en op een stapel in een schuurtje bewaard. Toch slaagden de bewoners  er op heldhaftige wijze in om de moed niet te verliezen en om vooral de moeilijkheden zoveel mogelijk voor hun kinderen te verbergen.

 

Hoop op betere tijden

Met weemoed zullen  de geïnterneerden in het kamp teruggedacht hebben aan de onbezorgde kerstfeesten, die ze voor de oorlog vierden in mooie verdragssteden als Hong Kong, Tientsin en Shanghai. Op de kerstkaart van 1936, die de ouders van Anneke de Jongh aan vrienden en familie stuurden, zien we een gelukkig en welvarend gezin. Ook  hun brieven van voor de oorlog vertellen over de feestelijke kerstdagen. Ieder jaar stond er bij de De Jonghs in de hoek achter de divan een kingsize boom, die pas na een sobere Adventsperiode van vier lange weken, op de dag voor kerst opgetuigd mocht worden, hetgeen de taak van vader Frans was. De volgorde was belangrijk, eerst de piek, dan de kaarsjes, dan de slingers. De losse ballen mochten pas op het laatst in de boom gehangen worden. Er stond een teil water naast met een steelpannetje, om een eventuele brand te kunnen doven. De kampbewoners verlangden juist met kerstmis wanhopig naar vrede in China.

Frans schrijft op Kerstmis-avond 1940, dat ze kerst dit jaar goed gingen vieren, omdat het kerstfeest in 1939 helemaal in het water gevallen was vanwege een zeereis uit Europa. Ze hadden nu een grote kerstboom, veel cadeautjes en lekkers en er was een maaltijd met kalkoen gepland voor vijftien mensen. De jezuïet Klok logeerde bij hen. Willy schrijft op 28 december 1940:

Met kerst was het erg gezellig in huis

Ik hou van een huis vol mensen. De kalkoenen waren verrukkelijk. Ze hadden al tien dagen op hun erf rondgelopen. Antoon had reuze schik gehad met die beesten, enig om te zien. De kersttafel was versierd met kabouters, poinsettia en minikerstboompjes. De hele familie kreeg een souveniertje. De volgende dag hebben we koude kalkoen gehad met niertjes en gebakken eieren voor lunch & geen warm eten want de jeugd had al drie dagen een party & gelukkig geen van allen ziek geweest. Ik heb hele potten poinsettia’s en bloesem staan en hoop ze over te houden tot het nieuwe jaar. Oudejaarsavond heb ik mensen voor dinner & daarna naar de Country Club. We gaan zelden uit, maar zulke feestdagen moeten herdacht worden. […] Kleine Frans probeerde direct de lollypops en de chocola uit de boom te halen. Morgen gaat de jeugd schaatsen. Het is heerlijk zonnig weer en de koude valt dit jaar erg mee. Ik zou thuis best even om het hoekje willen kijken…

Het kantoor van de Holland China Trading Company in Shanghai

1-12-shanghai-shipping-office-1923

Het kantoor van Frans de Jongh in 1923.  Frans zit rechts aan zijn bureau, aan de kapstok hangt zijn rieten ‘boater’. Je ziet Chinees, Europees en Portugees personeel aan het werk. Frans werkte eerst in  de boekhouding, later in de verzekeringen en sundries (diverse artikelen).  Het werk in de verzekering was vrij riskant. Een aantal bij de HCTC of in het Hollands HCHC ( Holland China Handels Compagnie) verzekerde  Chinese gebouwen en schepen brandde af zonder verklaarbare reden en onder verdachte omstandigheden, de fraude was moeilijk te bewijzen. Het kantoor was ook Shipping Agent voor de Java-China-Japan Lijn, waarmee men  tabak, bonen,  rijst en steenkool naar Java exporteerde, en producten als  suiker, olie en rotan in China importeerde. Een ander ‘exportartikel’ waren de koelies voor de tinmijnen op Bangka In Nederlandsch Indië.  Dit vervoer was zeer omstreden. Veel repatrianten, ook kinderen en baby’s,  stierven op weg naar hun vaderland China, weliswaar met een volle geldbuidel maar volledig uitgeput na het jarenlange gezwoeg in de mijnen en de onmenselijke omstandigheden aan boord van De JCJL schepen. Ook Slauerhoff die op de JCJL voer vertelt hierover in zijn boek Het leven op aarde, van 1953. De Java-China-Japanlijn werd na de Tweede Wereldoorlog omgedoopt tot de KJCPL, de Koninklijke Java-China Paketvaart Line. Men wilde niets meer met Japan te maken hebben.

javachinajapanlijn-1911.

Artikel in de Gelderlander van 7 september 2016

Lex Halsema schreef op 7 september een artikel in de Gelderlander, dat heel goed beschreef waar mijn boek over gaat en hoe ik er aan gewerkt heb.

Familie- en Wereldgeschiedenis

De familiegeschiedenis van Amsterdammer Frans de Jongh is ingebed in de wereldhistorie. Huissense Mieke Melief legde die vast.

Stevig boek, verrassend mooi uitgegeven

Frans de Jongh is de oudoom van Mieke Melief en het beginpunt van Hier in het Oosten alles wel. Een stevige en verrassend mooi vormgegeven pil van een boek dat alleen daardoor al ‘geschiedenis’ uitstraalt. Maar ook inhoudelijk is het, zeker voor mensen met belangstelling voor geschiedenis, een aanrader.

Een relatief onbekend stukje Nederlands kolonialisme

Melief schetst op basis van originele brieven uit die tijd en op basis van gesprekken met haar nog levende tante een beeld van een relatief onbekend stukje Nederlands kolonialisme in het China van voor de oorlog. Daarbij gaat het om de familiegeschiedenis van de handelsfamilie De Jongh, maar dus ook om het grote raamwerk van de geschiedenis zelf.

Verrassingen in China

En daar zitten nog best verrassingen tussen. Bijvoorbeeld dat er ook in China jappenkampen lagen, waar Nederlandse burgers gevangen werden gehouden. Uiteraard wil Melief niet te veel over het boek verklappen, maar ze glimlacht geamuseerd over de verbazing bij de verslaggever als het ‘Chinese jappenkamp’ ter sprake komt. “Ja dat weten niet veel mensen. Voor de meeste mensen zijn die kampen iets uit Indonesië, of zo je wilt Nederlands-Indië. En er zat gelukkig wel verschil tussen. Net als in Indië waren de kampen in handen van de Kempeitai, de militaire politie van de keizerlijke Japanse strijdkrachten, maar anders dan in Indië waren de kampleiding en de bewakers geen militairen, maar maakten ze deel uit van de consulaire politie. Uit de brieven blijkt ook dat ze hoffelijker waren.  Al blijft het natuurlijk wel een gevangenis, waar heel erge honger geleden is,” weet Melief.

Alles is geschreven op basis van brieven, gesprekken en onderzoek

De inmiddels 72-jarige Huissense, oud-lerares Frans, begon in 2010 aan het 415 pagina’s tellende boek, dat in september uitkomt. Het verhaal telt 377 bladzijden, de rest wordt gevuld met foto’s voetnoten en bronnen. Een flinke klus dus. “Ja, ik heb er een jaar of vijf over gedaan, want vorig jaar was ik eigenlijk al klaar. Daarna was het een kwestie van puntjes op de i en vormgeving”, aldus de Huissense die met haar boek fictie heeft vermeden. “Alles is geschreven op basis van brieven, gesprekken en onderzoek. Natuurlijk probeer je dat wel zo mooi mogelijk op te schrijven. Maar zonder zelf dingen toe te voegen, het is een soms confronterend maar wel eerlijk boek geworden. Hier in het Oosten alles wel geeft inzicht in de denkwereld van de familie in de jaren vlak voor de oorlog. Inzichten om ondanks die oorlogsdreiging in China te blijven, maar ook een kijkje op het leven van alledag, ook in oorlogstijd.

Melief: “Mijn oudoom was aan de ene kant kritisch, maar tegelijkertijd iemand uit die tijd.

 

Zo was hij tegen discriminatie op basis van ras, had moeite met de superieure houding van met name de Engelsen en de onderdanigheid van de mensen daar. Ook was hij een fel tegenstander van de ‘koeliehandel’, mensenhandel tussen Nederlands-Indië en China. Maar tegelijkertijd vond hij het normaal om personeel te hebben en de Chinese kok af en toe te slaan, omdat hij te veel vlees uit de soep gehaald had voor eigen consumptie.”

Voor Melief is haar debuut als schrijver ook meteen haar eindpunt. ” ik ben 72 en en boek schrijven is inspannend. Maar het schrijven zelf is wel heel leuk, dat wil ik wel blijven doen voor artikelen in tijdschriften en voor de blogs op mijn website www.hierinhetoostenalleswel.nl

 

nieuwe-foto-gelderlander-001

The sewing room

In Weihsien, het jappenkamp in Shantung, was een sewing advisory group actief. Er waren naaimachines, mooiere en minder mooie, die een aantal vrouwen meegebracht had in het kamp. Anneke vertelt dat ze daar graag werd ingewijd in de geheimen van de naaikunst. Van de stof van meelzakken of rodekruis zakken werden bloesjes, overhemden of schorten genaaid. De stof werd ook gebruikt voor ondergoed en voor het oplappen van kapotte kleding. Jurkjes die te kort geworden waren, werden verlengd met een strook in de rok en een brede band in de taille, zodat alles wat langer werd. Lange broeken werden veranderd in shorts, terwijl stof van de afgeknipte pijpen gebruikt werd om het zitvlak te verstevigen. Het eindresultaat van al dat naaiwerk was een bontgekleurd geheel. Er was een Amerikaanse dame die een patroon had voor een beha. Anneke kreeg zo haar eerste onvergetelijke behaatje. Het was gemaakt van wit poplin, met gestikte bandjes en een sluiting van twee knopen op de rug .

 

3-09-weihsien-camp-sewing-group

The Paperhunt 1921

Shanghai februari 1921. Deze kosmopolitische stad bood zijn westerse inwoners allerhande vertier dat geïmporteerd was uit allerlei landen. De Britten hadden echter de overhand bij de invoer van sporten en gebruiken. Er was één erg opvallende en grappige Britse sport: de paperhunt. Er viel namelijk niets te jagen in de omgeving van Shanghai. Er was gewoon helemaal geen wild. Daar verzonnen de Engelsen natuurlijk iets op want gejaagd moest er worden. Er werd een parcours uitgezet met strookjes papier die in de bomen en struiken gehangen werden. De ruiters moesten vanaf het startpunt over een afstand van vijf mijl dit spoor papieren strookjes volgen, tot aan een controlepost. Vanaf dat punt werd het een race. Wie het eerste bij het startpunt terug was won de race en mocht de week erna het parcours uitzetten met de papiertjes. Het seizoen duurde van november tot maart. Het was eigenlijk niets anders dan de bij ons zo bekende speurtocht op kinderfeestjes. De Chinese boeren waren er niet blij mee en vroegen vaak veel geld als schadevergoeding, wanneer er over hun land gereden werd. Ook waren de Chinese burgers van Shanghai bang dat de ruiters over hun grafheuvels zouden rijden. De deelnemers reden op vurige Mongoolse paardjes, waarover in een volgend blog meer.

1-08-shanghai-februari-1921-paperhunt