Category Archives for "boekennieuws"

Begraven in China, toen en nu

Ruben Terlou,  China, over doodsrituelen

Vroeger

Uit de inleiding van Hier in het Oosten alles wel

Citaat :De Chinese dowager-empress had het bouwen van spoorwegen in de 19e eeuw lang tegengehouden, omdat deze modernisering in China heel gevoelig lag. De mandarijnen vreesden een volksopstand. De grafheuvels, die kriskras over het hele land verspreid lagen en die heilig en onaantastbaar waren vanwege de voorouderverering door de levenden en de zielenrust van de overleden familieleden, liepen immers door de aanleg van spoorwegen gevaar te worden vernield of ontheiligd. Volgens de feng shui of de geomantiek − de waarzegkunst die van de verschijnselen van de aarde uitgaat − zou de harmonie van de plekken aangetast kunnen worden.

Citaat:  De doden werden begraven buiten de stad op de velden, waar de witte rouwstoeten hen uitgeleide deden. De begrafenissen varieerden van stoeten met heel grote plechtigheden, luide muziek, een rijk uitgedost gevolg en een rijkelijk versierde draagbaar tot kleine stoeten met een kleiner gevolg, maar ook met een draagbaar. Voor alle begrafenissen was de kleur wit. De graven waren kleine met gras begroeide heuveltjes. De doden werden begraven met wat ze in het hiernamaals nodig zouden hebben: eten, geld en kleren. De vindingrijke Chinezen gebruikten tot dit doel papieren versies van het eten en de kleren en voegden nagemaakt geld toe.

Uit Hier in het Oosten alles wel, Shanghai 1919

Citaat :Indrukwekkend waren ook de begrafenisstoeten van welgestelde Chinezen. Frans stuurde er een foto van naar Holland waarop je het grote gevolg ziet, dat overwegend in de witte rouwkleur gekleed gaat. Er gaat een versierde auto vooraf aan de lijkbaar die door in het wit geklede mannen gedragen wordt. De priesters dragen galakleding, brokaten tunieken. Er volgt een grote groep fluitspelers en mensen met handcimbalen. Een groep boeddhistische priesters die in de stoet meeloopt, draagt geen witte kleding, maar zwierige mantels en platte hoeden. 

 

Begrafenisstoet                                                                                            De dragers van de doodskist

 

Priesters in de stoet                                                                                  Priesters in ceremoniële toga’s

Uit Hier in het Oosten alles wel, Tientsin 1933-1943

Citaat: De meisjes ontdekten de kleurrijke hutongs (steegjes), waar het nog bedrijviger was, hoewel ze van hun ouders absoluut niet door een volkswijk naar school mochten fietsen. Je zag daar riksja’s, karren en venters, maar ook open winkeltjes en bijvoorbeeld kappers, die op straat werkten of ‘public writers’, die brieven op bestelling schreven. Karakters op briefjes in een langwerpige envelop. Af en toe zagen ze net als vader Frans in Shanghai een indrukwekkende lange witte begrafenisoptocht, met veel muziek, felgekleurde draken en mensen in mooie witte gewaden. De muziek die de dode uitgeleide deed bestond meestal uit zwaar slagwerk gespeeld door vier percussionisten. Blazers, meestal twee, bespeelden het klagende blaasinstrument de suona. Vuurwerk werd afgestoken om de boze geesten te verdrijven. De geschenken die aan de dode meegegeven zouden worden naar het hiernamaals werden ook meegedragen. Aan de grootte van de processie was te zien of het een het een ‘dure dooie was of niet’. Iedereen liep mee. Men had alles over voor het hiernamaals.

Voorouderverering

De voorouderverering speelt een grote rol bij het begraven van de doden in China. Het is belangrijk er voor te zorgen dat de dode een mooie en eervolle begrafenis krijgt met veel ceremonieel. De geesten van de doden blijven bestaan en moeten zich goed voelen. Als zij het goed hebben, voelen ook de nabestaanden zich goed. Bij de begrafenis werden dus van oudsher bezittingen meegegeven, die de dode in het echte leven ook genoten had. Ook werd er geld meegegeven. De praktische Chinezen vervingen dit in de loop der eeuwen door papieren geld. Dit werd verbrand zodat het meegenomen kon worden naar het hiernamaals. De rijke doden werden begraven met veel en kostbare geschenken en hadden ook een stoet met veel pracht en praal. De armen hadden een soberder uitvaart. Bij de graven werd driemaal per jaar geofferd. De Chinezen hadden ook een altaartje in huis waarop drie maal daags wierookstokjes gebrand werden. Frans de Jongh kreeg in 1919 Chinese les van een Chinese. Hij werd tijdens het Chinese Nieuwjaarsfeest bij haar thuis uitgenodigd. Daar is hij getuige van deze voorouderverering:

Citaat uit Hier in het Oosten alles welHet onderwijzeresje zelf zat er over in dat ze niet mee kon doen aan de offergaven en het wierookbranden voor de voorvaderen en Boeddha, omdat ze dit jaar katholiek was geworden. Ze was half verliefd geworden op een Ier die haar had laten zitten en volgens haar nieuwe geloof mocht ze niet meer meedoen aan die afgoderij. Frans had haar gezegd dat ze best mee mocht doen als ze het juiste gevoel van de herinnering had. Hij vond die verering van de overledenen bij de Chinezen schitterend. Haar vader was anderhalf jaar geleden gestorven en iedere avond werd zijn maaltijd nog neergezet voor zijn portret en de volgende ochtend verbrand. Iedere morgen rolde zij de opiumballetjes voor zijn pijp zoals vroeger. De Chinezen leefden met de overledenen.

Anno 2017

 

begrafenis op het platteland 2017  © VPRO gids              grafheuvels in China, 21e eeuw     

Ruben Terlou laat in zijn documentaire zien dat heel veel rituelen bewaard zijn gebleven, met name op het platteland waar nog plaats is voor grafheuvels. De kleur van de begrafenis is nog steeds wit. De symbolische papieren geschenken hebben zich aangepast aan de tijd. Nu worden bezittingen als een airco, een auto of een ijskast en zelfs een luxe woning verbrand. De toewijding van de nabestaanden is zeer groot. Er wordt hevig gerouwd en kosten noch moeite worden gespaard. Het vuurwerk knalt nog steeds. Je voelt nog steeds de diepe eeuwenoude eerbied voor de doden. Het platteland van China is nog steeds bezaaid met eeuwenoude en recentere grafheuvels.

Citaat uit de  documentaire van Terlou: Tijdens ons bezoek aan de binnenlanden van China stuiten we op een oud Chinees ritueel: de dodenverering. Er wordt een huis van rietpapier gebouwd, compleet met ramen, torens en een voortuin. Na een gebed worden eerst de torens in brand gestoken en vervolgens het huis zelf en alles wat erbij ligt. Het huis is het symbool van veiligheid, het biedt de overledene een veilig heenkomen. De papieren snippers die om het huis heen liggen, zijn het symbool van geld. De nabestaanden geven de dode voldoende geld mee, om een goed leven na de dood te hebben. Dit alles gaat gepaard met veel knalvuurwerk, waarmee de boze geesten worden verjaagd. Al met al was het een vrij feestelijke gebeurtenis. 

Toch zijn er ingrijpende veranderingen gaande. Er is in de Chinese metropolen geen ruimte voor grafheuvels. Vanwege de grote trek van het platteland naar de grote steden kunnen nabestaanden niet meer drie keer per jaar bij het graf komen offeren. Met een mobiele telefoon en een QR code kun je op afstand offeren. De Chinezen zijn dus nog steeds even vindingrijk als vroeger. In de grote steden wordt de as van de dode in een urn geplaatst en in grote hoge muren (op een begraafplaats) van gepolijst natuursteen bijgezet. Die muren met al die nisjes zien er uit als de gigantische torenflats waarin de moderne Chinezen wonen.

               Grafsteen met QR code

 

Frans de Jongh verschijnt in gedicht #22 van Monniksoog

Een vroege herinnering aan Frans de Jongh

In Monniksoog, overigens een prachtige gedichtenbundel , gekenmerkt door veel verstilde introspectie, voert Cees Nooteboom een reiziger  op,

iemands  vader, naar de Oost, precies in de tijd dat Frans de Jongh op de Java-China-Japan lijn naar China voer. Dit prachtige beeld wil ik U

niet onthouden.

                   Monniksoog

 Gedicht #22

Bedenk een verleden, wees niet zuinig

met oorlog of ontrouw. Je vader op het dek

van een schip, jong, trenchcoat, souspieds,

stomme film zonder titel,

 

man op weg naar de Oost, een of ander

negentientwintig, het schip zonder naam

en niets meer te vragen. Voor de herinnering

van doden is er geen code,

 

daar woont niemand. Lege kasten, het lege

huis van een naam, ik kijk naar de man

op het dek, hoort hij de zee, hoort hij de zee

zoals ik hier? Een oude man die hij nooit

 

heeft gezien?

 

 

uit Monniksoog, 2016 © Cees Nooteboom en uitgeverij Karaat

isbn: 978907977031

De handel tussen China en de westerse mogendheden in de 20e en 21e eeuw

markt in Hong Kong, 1924

De verhoudingen zijn veranderd

In de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw domineerde het Westen China volledig in economisch opzicht. De Chinezen werden gedwongen eenzijdige economische afspraken te accepteren. Middels de door oorlogen verkregen extraterritoriale rechten konden de expatriates en een aantal Chinese tussenpersonen, de compradores, zich steeds meer verrijken. China zelf werd alsmaar armer en raakte economisch uitgeput. Het Westen investeerde in China in de industrie, de handel en de infrastructuur. Hoewel sommige Chinezen van de handel profiteerden wantrouwden zij vooral de westerlingen en terecht.

Nu aan het begin van de 21e eeuw is China de dominante partij. Er vindt een ware investeringsgolf plaats vanuit China. Tusssen 2010 en 2016  groeiden de buitenlandse Chinese investeringen van 265 naar 1072 miljard euro. In het jaar 2016 schoten de buitenlandse Chinese investeringen  met 30 % omhoog. Zo investeert China in de auto- industrie (Volvo), ICT-bedrijven  en de luchtvaart. De Chinese regering moedigt deze investeringen, die zij strategisch acht, aan.

Frans- Paul van der Putten, China expert bij Clingendael

Zijderoute

China werkt aan een nieuwe zijderoute, waarin alle wegen naar China leiden. In Europa is men bezorgd over de Chinese assertiviteit. Er is tevens een groeiend wantrouwen waar te nemen in De VS ten opzicht van Chinese investeringen. De grote Chinese  onlinestore, Alibaba, krijgt daar geen toestemming het Amerikaanse Moneygram over te nemen. De rollen zijn na een eeuw volledig omgedraaid.

Bron: NRC-Handelsblad 29 december en 5 januari. Frans-Paul van der Putten wordt in beide artikelen geciteerd.

Lezing bij boekenparadijs Jansen & De Feijter in Velp

 

 

Jansen & De Feijter

Mijn boek en andere geschiedenisboeken in de etalage tijdens de week van de geschiedenis

Op 10 oktober j.l. mocht ik een lezing houden in boekhandel Jansen & De Feijter. Het is een heerlijke plaats om boeken uit te zoeken, boekliefhebbers te ontmoeten of een lezing te houden over je boek. De drempel is laag en veel schrijvers (ook landelijk bekende) weten hun weg te vinden naar deze inspirerende plek. Als je er binnen komt voel je dezelfde opwinding als toen je zelf net kon lezen en boeken mocht uitzoeken in de bibliotheek. De winkel voelt aan als een huiskamer. Ik krijg er het huiselijke veilige gevoel dat ik als kind beleefde toen mijn moeder ons voorlas bij de haard uit Jules Verne en Hector Malot. Niet voor niets werd Jansen & De Feijter kort na haar ontstaan  uitgeroepen tot boekhandel van het jaar 2014.

Tièn Tièn, 10 oktober was een speciale feestdag in de tijd van de Republiek China 1912-1949  Op die dag werd de val van het keizerrrijk (de Qing dynastie met de beruchte keizerin Cixi) gevierd. Deze feestdag werd in de tijd van Mao afgeschaft, maar wordt nog steeds gevierd in Taiwan. Mooie symbolische datum voor mijn lezing.

De boekhandel beschikt over een heel groot scherm dat uit het plafond naar beneden gerold wordt en perfecte geluidsapparatuur. Verrijdbare tafels met boeken maken plaats voor gerieflijke uitklapbare stoeltjes. Er is een café-lunchroom waar men elkaar ontmoet tijdens de pauze en na afloop.

Mijn publiek (rond de 30 bezoekers) was geïnteresseerd en luisterde aandachtig. Het was fijn dat de prachtige foto’s uit het De Jongh archief zo mooi uitkwamen op het grote doek. Het Youtube (British Pathé) filmpje over de overstroming van Tientsin kon mooi worden vergroot en versterkt. Een aantal toehoorders had het boek al gelezen. Voor anderen was het onderwerp nieuw. Uit de reacties bleek dat ze verrast waren toen ze hoorden wat er in China gebeurd was in de tijd 1912-1949. Met name het bestaan van Chinese jappenkampen was geheel nieuw, maar ook de beschrijving van het vooruitstrevende en kosmopolitische Shanghai uit die tijd was een verrassing voor sommigen. Er kwamen ook vragen van mensen die zelf (of hun ouders) in Indische jappenkampen gezeten hadden. Het was interessant om de Indische kampen te vergelijken met de Chinese, vanwege de verschillen.

 

het British Pathé filmpje van mijn Powerpointpresentatie

Missionarissen in Noord-China

Gerelateerde afbeelding

Matteo Ricci met Xu Guangqi

De jezuïeten aan het Ming hof

Al eeuwenlang vertrokken zendelingen en met name katholieke kloosterlingen naar het Verre Oosten. Ze vonden daar een immens keizerrijk, waar ze hoopten miljoenen zielen te kunnen winnen voor het geloof. Al in de 16e eeuw probeerden de jezuïeten invloed te krijgen aan het keizerlijke Ming hof en met succes.  Ze werden vooral gerespecteerd vanwege hun geleerden. Zo konden ze bijvoorbeeld op sterrenkundig gebied voorspellingen doen en berekeningen maken die klopten. De jezuïeten pasten ook hun gewoontes aan. Ze beoogden een sino-christelijke beschaving, die de leer van het christendom verenigde met het taoïsme en boeddhisme van de gewone Chinezen en het confucianisme van de Chinese aristocratie. Een aantal jezuïeten ging daar vrij ver in. Ze droegen zelfs Chinese mantels en een Chinees hoofdkapje. Later richtten zij zich meer op de gewone massa. Uiteindelijk riep Rome tijdens de Ritenstrijd de jezuïeten terug naar Europa. De kerk verzette zich namelijk sterk tegen de denkbeelden over assimilatie van de jezuïeten die in China missioneerden.

De missionarissen van de 19e eeuw

In de 19e eeuw werden er verschillende ordes opgericht met het doel zoveel mogelijk mensen in China te gaan bekeren, ondanks het feit dat de Chinezen te kennen gaven hun confucianistische leer en hun voorouderverering niet te willen opgeven. Zo werden de missionarissen herhaaldelijk het mikpunt van vreemdelingenhaat. Hun activiteiten werden vaak voor langere tijd verboden en de paters werden ook regelmatig met de dood bedreigd. Na de tweede opiumoorlog stond de verzwakte Chinese regering de missie weer toe. De Frans-Nederlandse (lazaristen) en Belgisch-Nederlandse (scheutisten) ordes kregen een uitgebreid missiegebied in Mongolië en ten noorden van de Chinese muur. De Nederlandse franciscanen vestigden zich in de provincie Shansi, ten zuidwesten van Peking. De pioniers van de missie hadden een haast onmogelijke taak. Hun gebied was te groot, ze hadden te weinig geld, het platteland was zo onveilig dat zij zich veelal moesten bewapenen en van hun missiepost een met aarden muren versterkte vesting moesten maken om te kunnen overleven. Ze werden van tijd tot tijd bedreigd door roversbendes, zeer gewelddadige moslimstammen (in West-Mongolië) of bijgelovige Chinezen die de missionarissen aanvielen omdat ze hen verdachten van rituele moorden. (Wat de laatste groep betreft : missieposten vingen een groot aantal ongewenste baby’s, voornamelijk meisjes op, die op straat gevonden werden. Ze werden vervolgens op de missie gedoopt met wijwater, dat over de hoofdjes werd gegoten. Argwanende Chinezen verspreidden hierover het gerucht dat de missionarissen de ogen van de kinderen gebruikten voor bepaalde rituelen of geneesmiddelen). De missionarissen verwelkomden de vaak stervende babies en ook volwassenen op hun missiepost, want dan konden ze hen nog net dopen en hadden ze weer een aantal gelovige zielen aan het eeuwige koninkrijk toegevoegd. Op het immense platteland van Noord-China braken vaak opstanden uit vanwege de ernstige hongersnoden die China regelmatig teisterden. De honger ontstond vanwege de langdurige periodes van extreme droogte of door de grote overstromingen van de Gele rivier. De uitgehongerde mensen kwamen dan ook in opstand tegen de missionarissen. Er was weinig bescherming van de Chinese autoriteiten te verwachten. Peking was ver en het keizerlijk gezag reikte niet ver genoeg. Sommige mandarijnen gaven wel enige bescherming, maar een aantal gouverneurs nam zelf het heft in handen (krijgsheren).

De Bokseropstand

Het bleek extreem moeilijk om de Chinezen te bekeren. Het lukte wel om ze over te halen wanneer de missionarissen voedsel en stukjes te bewerken land uitdeelden. Het behandelen van zieken en uitdelen van medicijnen leverde na enige tijd ook bekeringen op. In de begintijd hadden de paters niet genoeg geld om de bijstand aan de arme Chinezen te betalen. Later werd veel geld opgehaald via de Heilige Kindsheid, de stichting die maandelijks geld ophaalde bij de kinderen in  West-Europa. Sommige missionarissen waren oprecht filantropisch, maar er waren ook paters die op macht uit waren en die zich gedroegen als ware krijgsheren. Ze drongen het geloof soms met geweld aan de Chinezen op. De Bokseropstand in 1900, die zich van Tientsin naar Mongolië uitgebreid had, was gericht tegen de vreemdelingen en was aangewakkerd door keizerin-regentes Cixi.  De Boksers vermoordden  een groot aantal missionarissen. Een van hen, de heldhaftige scheutist mrg. Hamer, vluchtte niet en bleef op zijn post. Hij stierf een gruwelijke marteldood, na dagenlang gemarteld te zijn. Hij is echter nooit heilig verklaard.

De grootouders van onze vriend Hans Ponten, het echtpaar Franken-Heideman vierden hun koperen bruiloft in mei 1908 in hun vakantiehuis in Zandvoort . Ze deden dat met vrijwel het hele gezelschap verkleed als Chinezen. Het kleinste mensje eerste rij in het midden is zijn moeder. Zij was toen nog geen 1 jaar oud. Zijn grootouders gaven regelmatig geld aan missionarissen in China, Zij hadden bovendien een groot aantal Chinese borden en meubels als dank gekregen. Overigens is niemand van zijn voorouders ooit in China geweest. Hans begreep dat de borden en meubels vaak tijdens de zeereis terug gebruikt werden als ballast
Propagandafimpje van de Heilige Kindsheid

Yung-Ping-Fu

Frans de Jongh was zeer geïnteresseerd in het werk en het leven van de Nederlandse missionarissen. Hij reisde van tijd tot tijd naar de Nederlandse missionarissen van de orde der lazaristen, in het zeer afgelegen klooster bij de eeuwenoude stad Yung-Ping-Fu, die gebouwd was ten tijde van de Ming dynastie, in de buurt van de Grote Muur. De stad lag honderd kilometer ten noordoosten van Tientsin, niet ver van Qinhuangtao in de noordoostelijke provincie Hopei. Ze heet tegenwoordig Tangshan en ligt bij Lulong. Het was een groot klooster met veel paters, waaronder bisschop Geurts, bisschop Lebouille, die Geurts opvolgde, en pater Verhoeven, die later in Weihsien zulke mooie tekeningen zou maken. Frans ging er een keer in de twee, drie jaar heen. Het was veel te gevaarlijk om daar met de auto heen te gaan, gezien de grote bereden bendes met struikrovers en de ontvoeringen, dus reisde hij met trein en paard en wagen. Frans nam altijd jenever voor de paters mee en Hulstkamp brandewijn. Geen wonder dat hij daar goed onthaald werd.  Ook na 1932, toen hij met zijn gezin in Tientsin woonde ging hij er op gezette tijden heen en de paters kwamen ook regelmatig bij de De Jonghs in Tientsin logeren

 

 

Yung-Ping-Fu vooraan v.l.n.r.  de bisschoppen  mgr. Geurts en mgr Lebouille

 

De Pekingcart waarmee Frans het laatste stuk naar Yung-Ping-Fu reisde

De moord op mgr Schraven, lazarist

Het leven van missionarissen werd in de jaren 30 steeds gevaarlijker. Zhengding, een stad waar zich een ander vicariaat van de lazaristen bevond, ook in de provincie Hopei, werd in 1937 door de Japanners ingenomen. Negen lazaristen, waaronder mgr. Frans Hubert Schraven werden daar op 9 oktober 1937 vermoord. Bisschop Schraven en de andere missionarissen beschermden honderden vrouwen en meisjes die asiel hadden gezocht in de kathedraal, op de vlucht voor de binnendringende Japanse militairen, die eisten dat de priesters de meisjes uitleverden ‘als troostmeisjes’. In de veronderstelling dat zij veilig zouden zijn in de kerk, hadden de vrouwen daar hun toevlucht gezocht. In het middeleeuwse Europa hadden roversbenden zulke heiligdommen altijd ontzien. Na geweigerd te hebben het bevel op te volgen werden Schraven en acht anderen geblinddoekt afgevoerd, met bajonetten doodgestoken en verbrand op een brandstapel een paar honderd meter verderop. Er bestaat ook een andere lezing van dit verhaal. Het zou niet gaan om Japanners en troostmeisjes, maar om een Chinese militie die haat koesterde ten opzichte van de missionarissen. De vrouwen zijn immers na de moord op Schraven en zijn medebroeders ongedeerd gebleven. De lazaristen blijven vooralsnog bij de lezing, waarin sprake is van troostmeisjes. De orde beijvert zich nog steeds voor de heiligverklaring van de bisschop.

mgr. Schraven

Internering van de missionarissen in Weihsien, het jappenkamp in Shantung.

Alle missionarissen van heel Noord-China werden uiteindelijk in 1943  geïnterneerd in Weihsien, ook de nonnen die veelal in de steden werkten. De missionarissen waren allen onmisbaar tijdens het schoonmaken en inrichten van het kamp. Ze zorgden ook voor afleiding door muziek- toneel- en cabaretavonden te organiseren. De meeste missionarissen en vooral die uit Mongolië waren enorm gehard en zelfredzaam. Jan de Bakker, lazarist uit Yung-Ping-Fu schreef over hen.  Het mooiste volgde 2 dagen later. Belgen, scheutisten van Mongolië, die stoer met het kruis op de borst het kamp komen binnensjouwen. De hengsten van Mongolië. Een andere missionaris pater, H. Botermans schrijft: Ik geloof dat we nu allen van Noord-China kennen. Wat zijn er een prachtkerels bij! Die van Mongolië waren zo ruw als basten van eikenbomen. Hun broek, hun jas, allemaal van beestenvellen met de haren erop. En allemaal zo blij! Echte soldaten, waarvan er één op zijn minst een heel leger van de wereld waard is. De zusters hebben gewerkt als echte heldinnen. De leken stonden er verbaasd van dat die zwakke nonnekes zwaarder werk deden en langer werkten dan zijzelf……In het begin waren veel protestanten ons vreemd. Maar dat duurde niet lang, we werden weldra vrienden. In Weihsien moesten we 5 uur per dag werken, doch na 3 dagen één dag vrij. Toen we weggingen naar Peking, ging practisch de helft van de werkkrachten (vooral voor het zwaren en vuilen werk)…. Sindsdien moesten leken 8 uur per dag werken en hadden geen vrije dagen meer.

De missionarissen voelden zich uiterst nuttig in het kamp. De priesters kwamen echter na lange jaren op het geïsoleerde platteland ineens in aanraking met jonge vrouwen en meisjes. Er ontstonden verliefdheden tussen de jongere paters en een aantal meisjes. Mede om die reden werd er vanuit het Vaticaan bij de Japanners bepleit dat de priesters geen geallieerde burgers waren, maar onderdanen van Vaticaanstad. Na drie maanden werden ze vrijgelaten en naar kloosters in o.a. Peking gebracht, dit tot groot verdriet van de geïnterneerden en de missionarissen zelf. Een van de geïnterneerden schreef :”We were all heartbroken.” Een kleine groep bleef in het kamp om voor het zieleheil van de kampbewoners te zorgen.

Na de Tweede Wereldoorlog

Toen de communisten in 1949 aan de macht kwamen waren de missionarissen niet meer welkom. Ze werden meteen en met harde hand op transport gesteld. Een enkeling slaagde er in lang onopgemerkt te overleven in China. Dat was onder anderen Quintus Pessers. Hij werd volgens de berichten, die de Nederlandse Ambassade een paar jaar na de oorlog ontving, in 1947 gestenigd en onthoofd met een tiental andere christenen. In de tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog werden missionarissen en andere christenen beschuldigd van spionage, wapenopslag en imperialisme. In 1950 bleek echter dat mgr. Pessers het bloedbad overleefd had, toen hij zelf vanuit Yungcheng contact opnam met de Nederlandse ambassade. Hij was wel gemarteld maar niet gestenigd. Hoewel het interieur van de kathedraal gesloopt was bleef hij op zijn post en weigerde hij China te verlaten. Hij hield zichzelf zolang in leven met een groentetuintje. In 1954 werd hij door drie gewapende politiemensen gedwongen Yungcheng te verlaten en naar Hong Kong te vertrekken. Hij leefde na terugkeer nog in Nederland tot in de jaren negentig.

De bevrijding van het jappenkamp Weihsien op 17 augustus 1945, 72 jaar geleden, in Noord-China

Anneke de Jongh met haar broertje Frans, 2e en 3e van links

Civilian Assembly Center Weihsien, een verborgen jappenkamp

Het jappenkamp werd door de Japanners een civilian assembly center genoemd, een eufemistische term voor jappenkamp. De Amerikaanse bevrijders wisten gedurende de internering lange tijd niet dat er in Weihsien een jappenkamp ingericht was. Hier waren ongeveer tweeduizend  Amerikaanse en Europese burgers geïnterneerd.  Zij waren allen in 1943 gedeporteerd uit de Noord-Chinese steden. Ondanks de vele ontberingen – er was gebrek aan eten, medicijnen, geschikte kleding, de geïnterneerden leefden in angst, niemand wist wat hen boven het hoofd hing – was er opvallend veel solidariteit en werkten de inwoners goed samen. Ze mochten het kamp zelf inrichten. Twee gevangenen wisten in juni 1944 te ontsnappen. Zij bereikten na vele omzwervingen de stad Chungking, het hoofdkwartier van Chiang Kai-shek de leider van de Nationalisten. In Chungking waren ook Amerikanen gelegerd. In Chungking en ook Kunming werd door de Amerikanen de bevrijding voorbereid van de door de Japanners bezette gebieden.  Ze wisten echter niet waar het kamp zich precies bevond. Het plan voor de bevrijding heette Duck Mission

Colonel Jimbo

De bevrijding op 17 augustus 1945                                                                                                              pp343- 345 van Hier in het Oosten alles wel

Eind 1944 werd de Japanse situatie onhoudbaar. Niemand geloofde meer in een Japanse overwinning. Ondertussen waren de geïnterneerden in alle kampen sterk verzwakt door ondervoeding. In de lente en tegen de zomer van 1945 hadden ze een onwerkelijk gevoel, alsof ze in een soort vacuüm zaten. De bewakers waren steeds vaker dronken. De saturday night dances werden nu in de openlucht gehouden omdat het lekker warm was. In juli begon de stemming onder de kampbewoners erg veranderlijk te worden en wisselde van luchtig en vrolijk tot paniekerig en down. Volgens Bobby Simmons werd het dansen onstuimiger, de muziek wilder. Maar de voedselrantsoenen werden kleiner. Iedereen had honger. De bewakers letten niet meer op. China buiten de poorten van Weihsien was één grote chaos. Overal zwierven guerrillastrijders rond. Op 15 augustus verspreidde het gerucht zich in het kamp dat de oorlog voorbij was. Inderdaad sprak Hirohito op die dag over de radio de voorwaarden uit van de Potsdam Proclamatie. De Zwitserse consul-generaal stuurde kort daarna een bericht naar de Japanners met het bevel dat alle geïnterneerden in de kampen moesten blijven en geduldig moesten wachten tot de kampleiding de nodige formaliteiten had afgehandeld  met betrekking tot hun ontslag uit de kampen. Om 12 uur ’s middags diezelfde dag zouden de Japanners geen zeggenschap meer hebben over Weihsien, maar noch de Zwitserse, noch de Japanse consul-generaal konden onderdak en voeding van de geïnterneerden buiten het kamp garanderen. De situatie veranderde dus niet meteen. De geruchten dat de oorlog ten einde was werden in het kamp door de Japanners noch ontkend noch bevestigd.

Ondertussen had de U.S. Army Colonel Richard P. Heppner, die de leiding had van alle under cover operations vanuit Kunming in het zuidwesten van China, waar hij gestationeerd was, OSS personeel intensief getraind en uitgerust voor de key areas. Het U.S. team dat Weihsien zou gaan bevrijden onder de leiding van Majoor Stanley A. Staiger opereerde onder de naam The Armored Angel. Verschillende oud Weihsienners, getuige hun verslagen op de Weihsien Painting site meenden dat ook de B-24 waarmee ze vlogen The Armored Angel heette, wat niet het geval was. De bevrijdingsmissie droeg de naam Duck Mission. Een afbeelding van het rapport van deze missie staat in zijn geheel op de Weihsien Paintings Website. Donkerbruine getypte letters op vergeeld papier. Het team van de Angels bestond uit soldaten van verschillende rangen, een Japans-Amerikaanse tolk Sgt. Tadashi T. Nagaki, een Chinese tolk Eddie Wang, enkele technici en een miltaire verpleger. De soldaten die op 17 augustus 1945 naar Weihsien onderweg waren met hun B-24 konden het kamp eerst niet vinden. Ze hadden het wel op de kaart gezien. Ze daalden tot honderdvijftig meter hoogte en zagen toen een kamp met honderden mensen, die naar het vliegtuig wuifden. Ze wisten echter niet zeker of het een civiel of militair kamp was. Daarom verstopten ze, na gesprongen te zijn, hun parachutes en hielden ze zich nog even schuil. Ze kropen naderbij, zagen toen blanke vrouwenbenen en wisten toen dat ze het goede kamp hadden gevonden.

De mensen in het kamp hadden het geluid van een vliegtuig gehoord en hadden al aan het geluid gehoord dat het geen Japans vliegtuig was. Het klonk anders dan het vreemde zachte gesnor en het geratel van de Japanse bommenwerpers, de Zero’s en de Judy’s. De opwinding binnen de muren steeg ten top, want de geruchtenstroom over een eventuele Japanse capitulatie was de dagen ervoor steeds sterker geworden. Het was een geruststellend gebrom. Het vliegtuig gooide bruine dingen naar beneden, niet in het kamp, maar op een veld iets verderop, want de bevrijders wisten niet zeker of ze wel op de juiste plek aangekomen waren. Het waren in werkelijkheid parachutisten, die aan witte parachutes hingen.  De gevangenen stormden als één grote massa naar de poorten. De Japanse oorlogskreet “Banzai”, steeg op uit alle kelen.  Er was geen houden meer aan. De Japanners keken machteloos toe. Ze waren zo overrompeld dat ze geen gevecht meer begonnen. De menigte rende door de poorten het kamp uit, de veldweg op. Slechts enkelen stopten eventjes om doornen of kiezelsteentjes van hun voeten te verwijderen en werden bijna onder de voet gelopen.  Bobby Simmons beschrijft het overweldigende gevoel van vrijheid. Iedereen stortte zich in het mooie Chinese platteland, met wilgen die over riviertjes hingen en kindertjes die met bamboestokken in het water speelden. Uitzinning van vreugde omhelsden en kusten ze de zeven soldaten, schudden hun handen, hesen hen op de schouders. Ook Anneke en haar vader waren de poort uitgestroomd nadat de Amerikanen waren gedropt en de heerlijke sensatie van het bevrijd zijn en het ongehinderd kunnen lopen buiten de muren, kan zij zich noch herinneren als de dag van gisteren. Het was vreemd om het kamp nu van buitenaf te zien met zijn prikkeldraad, zijn grijze muren en lelijke wachttorens. Het feit dat de kampbewoners het gezag van de Japanners compleet negeerden maakte de kampleiding zo onzeker dat ze het plan om weerstand te bieden aan de Duck Mission vrijwel meteen liet varen.De verbouwereerde Japanse bewakers salueerden de Amerikanen aarzelend. De parachutisten kwamen uit Kunming, waar ze al langer een basis hadden en waar ze de bevrijding voorbereid hadden. De Amerikanen waren bang dat mensen in de drukte geraakt konden worden door de kisten en dozen die uit het vliegtuig gedropt werden. Helaas werd toch één persoon geraakt, een Chinees jongetje dat niet in het kamp woonde maar stond toe te kijken. Hoe tragisch ook, zijn lot kon de uitzinnige feestvreugde niet temperen. Er is een sepiakleurige foto van Anneke, die een paar dagen later, met een liefdevolle arm om broertje Frans heen, over de kampmuur de activiteiten van de bevrijders en de bevoorrading van het kamp gadeslaat. Over de muur hangt een Amerikaanse vlag, die een oude geïnterneerde dame − Miss Blodgett − al die tijd in haar kamer verstopt had en nu in allerijl opgediept had. De foto is gemaakt door William Smith, een intelligence officer, die met het OSS team meegekomen was. Hij maakte een aantal foto’s − de enige foto’s, die van het kamp gemaakt zijn −  en een aantal zwart-wit tekeningen. Op Annekes vermagerde ernstige gezichtje staan de zware kampjaren te lezen. Ondertussen speelde de Salvation Army Band: Happy Days Are Here Again en God Bless America. Ondanks de euforie van hun bevrijding waren de De Jonghs toch allemaal diep geschokt toen ze enige tijd later het nieuws hoorden over het einde van de oorlog met Japan, na de vreselijke verwoesting door de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

 

 

Japanse bewakers

De moord op Pamela Werner in 1937, twee ‘whodunnits’

Life and death in Old Peking, the Murder of Pamela Werner

Via de Weihsien groep (de online contactgroep van de oud-geïnterneerden van dat jappenkamp) hoorde ik dat zojuist een nieuw boek is verschenen met als onderwerp een cold case van een moord op een 17 jarig meisje, Pamela Werner, in 1937 in Peking. De moord vond plaats aan de vooravond van de Japanse bezetting. Peking was toen een nerveuze stad. Het boek heet Life & Death in Old Peking van G.D. Sheppard. Al eerder verscheen Midnight in Peking van Paul French over dezelfde zaak. Overigens kun je vandaag de dag een Midnight in Peking tour volgen. De tour laat een aantal plekken zien die een rol speelden bij de moord en is te vinden op Google.

Hoewel Paul French een aantal verdachten opvoert en een spannende reconstructie voorstelt van wat er gebeurd is, gaat Sheppard een flinke stap verder. Hij voert een aantal verdachten op, deels dezelfde mensen als French en trekt de biografieën van al deze voornamelijk westerse expats uitvoerig na. Op deze wijze schetst hij een prachtig beeld van de sociale en politieke structuren in het Peking vooral van de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw: de verschillende werkgebieden, de Legation en het Legation kwartier, de Customs, de handel, de legereenheden, de verhoudingen tussen de Nationalisten en de buitenlanders, de opkomende Communisten. Aangezien hij van alle hoofdrolspelers een uitvoerig portret maakt en ook vertelt hoe het hen vergaat zowel voor, in als na de oorlog is het een prachtige studie over het Peking van de Republiek China geworden. Hij levert geen sluitend bewijs voor de oplossing van de moord, maar zijn conclusie is zeer aannemelijk op grond van al zijn onderzoek. (Overigens had Paul French een andere, minder aannemelijke conclusie) Het is een spannende whodunnit, maar tevens een interessant stuk geschiedenis.

Peking was een smeltkroes van nationaliteiten in de jaren 20 en 30 van de twintigste eeuw. Na de val van het keizerrijk  rond 1912 bleven de meeste buitenlanders in de stad wonen. De stad was aantrekkelijk en bood heel veel vrijheid.  Er woonden Chinezen, Japanners, Russen (veelal stateloze vluchtelingen) Europeanen en Amerikanen. Het gezag was in handen van wisselende krijgsheren. Er was een bruisend nachtleven en er was een levendige handel in opium en heroïne. Kunstenaars en journalisten voelden zich heel senang in de stad en de diplomaten woonden er in het veilige Legatiekwartier. Mabel Cabot schrijft over het Peking van 1921: ‘Het was een melting pot van contrasten en tegenstellingen: opium kits lagen naast het splinternieuwe Rockefeller hospital. Westerse liefdadigheidsinstellingen bestonden naast zware corruptie op alle niveaus. Schoonheid, sprookjesachtigheid en geheimzinnigheid naast armoede, honger en ziekte. Keizerlijke grandeur naast een drukke opkomende industriestad. Peking was nauwelijks veranderd sinds de Middeleeuwen, toen het hoofdstad werd. De oude stad was groots ontworpen, met muren eromheen en indrukwekkende poorten, de pracht van de pleinen van het paleis en de levendige kleuren van de keizerlijke daken. Het was al eeuwen een mysterieuze plek gebleven van gesloten hekken en muren, die de toegang versperden. Hoe mooier een huis van een rijke man was, hoe zorgvuldiger het verborgen werd. Zelfs als de hoofdpoorten opengegooid werden, werd het zicht op de tuin aan het oog onttrokken door een spirit screen, dat de privacy waarborgde tegen boze geesten. Ondanks de chaos bleef China het Westen fascineren en trok als een magneet ondernemers, intellectuelen als  Malraux, Maurois en Russell en avonturiers aan van overzee.’

In 1937 werd Peking opgeschrikt door de brute moord op de 17 jarige Pamela Werner. Ze was net voor de kerstvakantie overgekomen uit het naburige Tientsin om kerst te vieren met haar vader. In Tientsin, dat aan de kust lag ten zuidoosten van Peking en in een paar uur met de trein te bereiken was, woonde ze  bij een gastfamilie  en was een leerling aan de Tientsin Grammar School. Deze moord is officieel nooit opgelost, tot groot verdriet van haar oude vader. Sheppard probeert in zijn recent verschenen boek een redelijke reconstructie te maken van wat er gebeurd is.

Midnight in Peking, the Murder That Haunted the Last Days of Old China

Lezing bij de Probusgroep in Sassenheim

Een bijzondere plek

Op 8 maart kwam de Probusgroep van Sassenheim bijeen in een zaaltje van de Sint Pancratiuskerk voor mijn lezing over Hier in het Oosten alles wel. Een bijzondere plek omdat in deze grote kerk die Sassenheim overvleugelt en bijna tot aan de wolken reikt, mijn schoonouders hun huwelijk lieten inzegenen in de jaren 30 van de 20e eeuw.

Brede kennis en interesse

Het was een mooie ervaring om over mijn boek te spreken voor een groep vrouwen van mijn eigen leeftijd, die eenmaal in de drie weken bij elkaar komen voor lezingen over allerlei maatschappelijke en culturele onderwerpen. Hun brede kennis en interesse was voelbaar in hun aandacht en hun vragen. Het verhaal van de familie De Jongh leeft zo voort.

 

Mongoolse paarden in Shanghai

 

Shaking up the liver

In Shanghai werd meer paard gereden dan in het zuiden in bijvoorbeeld Kanton of Macao. ‘Men dacht dat paardrijden gezond was “to shake up the liver” . De Yang-tse was de zuidelijkste afbakening van het gebied waar in paarden gehandeld werd door de Mongoolse paardenhandelaars, die hun honderden mottige en rafelige wilde paarden naar de jaarlijkse paardenmarkten brachten. De paardjes waren klein en leken eerder op grote honden, maar ze waren niet duur en het onderhoud viel ook mee. Het was moeilijk ze te beoordelen, omdat ze onzichtbaar waren onder een dikke harige vacht. Na een trimbeurt in maart zag je pas hun sierlijke benen, sterke ruggen en korte nekken. Na de aankoop werd het één constant gevecht, waarbij de nieuwe eigenaren veel blauwe plekken en beten opliepen. Zo had Frans een woest, bijtend paard dat Jimmy Gold heette. Hij probeerde het dan ook zo snel mogelijk voor een goede prijs te verkopen  Het was ook moeilijk om hun snelheid te beheersen, want het bit bleef vaak vastzitten achter hun tanden. Als de paarden ingereden waren deden de eigenaren mee aan de races in de lente en de herfst en werd er verwoed gewed.

The Lighthorse Brigade

De jonge buitenlandse mannen in Shanghai in de jaren 1920-1940 reden paard als vrijetijdsbesteding. Maar ze  stonden ook vroeg op om te trainen voor de races of voor de Lighthorse Brigade. De handelssteden in China werden onder andere verdedigd door dit soort vrijwillige brigades. Het Chinese achterland om de steden heen was niet veilig en er waren van tijd tot tijd heftige uitbraken van vreemdelingenhaat. Vroeg opstaan en paardrijden betekende vroeg naar bed gaan. De jonge mannen boden zo weerstand aan de verleiding ’s avonds de stad in te gaan met alle verlokkingen van dien. Sporten als tennis, cricket en snelwandelen waren om die reden ook zeer geliefd.

 

Light Horse Eastern Trainig camp 1922                                                                           Frans op Jimmy Gold

 

De compradores en de verdragshavens

Fingerspitzengefühl

Hierboven een foto (in twee delen) van een compradore (Portugees voor inkoper) d.w.z. een handelsagent of merchant. Deze agenten of tussenpersonen speelden een cruciale rol in de handel tussen de Chinezen en de westerlingen, in de periode vanaf het midden van de negentiende eeuw tot 1949. Hoewel grote verdragshavens als Hong Kong, Shanghai en Tientsin een open door policy hanteerden, hetgeen betekende dat de handel vrij was, waren deze Chinese tussenpersonen onontbeerlijk. Zij wisten precies hoe je een goede deal kon sluiten. Ze wisten precies wie betrouwbaar was,  welke egards je in acht moest nemen, kenden de Chinese systemen van maten en gewichten en stonden bovendien garant voor de betalingen en het vervoer van de goederen. Ze vroegen een commissie op alle transacties en werden zo puissant rijk. Vaak waren bedrijven joint ventures van Chinezen en westerlingen. De  buitenlandse taipans konden niets beginnen zonder het Fingerspitzengefühl van de compradores.

Eindeloos geduld

Anneke herinnert zich nog van de tijd in Tientsin, dat handelen een speciale mentaliteit vergde. Vader Frans had ook een compradore. Als je wist dat er een partij te koop was moest je psychologisch en tactisch bieden, loven, een bod aannemen of verstoten, of een nieuwe bid doen. De Chinese partij vroeg soms belachelijk veel. Sommige handelspartners lieten haar vader eindeloos wachten. Talenten als diplomatie en hoffelijkheid waren onontbeerlijk. Je moest vooral gezichtsverlies bij de Chinezen voorkomen. Anderzijds moest je je ook niet laten beetnemen, want de Chinese handelspartners waren zeer gewiekst. Annekes vader voelde dat goed aan en wist scherp te onderhandelen. Hij wist ook dat er over de Hollanders gezegd werd in China: “In matters of commerce the fault of the Dutch is giving too little and asking too much.” Anneke mocht haar vader vaak helpen met het decoderen van de telegrammen, want alle transacties gingen per telegram.

Op bezoek bij de compradore

Op  feestdagen als bijvoorbeeld Chinees Nieuwjaar ging het hele gezin de Jongh op officieel bezoek bij de compradore. Frans ontving dan kostbare geschenken. Zijn compradore had twee vrouwen. De eerste vrouw had representatieve taken en nam de honneurs waar. Ergens anders in huis woonde het concubineliefje. De Europese kinderen vonden het verwarrend om goed om te gaan met beide vrouwen.