Mieke Melief
Author Archives: Mieke Melief

Hong Kong in 1930 en nu, in de 21e eeuw

 Hong Kong, de geurige haven 

Kowloon, Willy in front of her house in Hong Kong, 2, Chatham Road 1930

 

                                     Chatham Road 1960s                                                                  Chatham Road  today              

Hong Kong, ‘een land, twee systemen’, zoals in 1997 afgesproken werd en waar nu zoveel onrust is kwam in handen van de Britten in 1842, na de Eerste Opiumoorlog. Het was een gedwongen overdracht aan de Britse Oost-Indische Compagnie, omdat China de oorlog verloren had. Er woonden toen 7000 Europeanen. In 1898 werden de New Territories daar aan toegevoegd voor een periode van 99 jaar. In 1984 sloot het Verenigd Koninkrijk een overeenkomst met China, om het gebied in 1997 over te dragen als een Speciale Bestuurlijke Regio van de Volksrepubliek China. Nu wonen er 7.392 miljoen mensen. De bevolking steeg aanzienlijk tussen 1930 en 1940, omdat er toen veel politieke onrust heerste in China en de Chinezen van de Volksrepubliek naar Hong Kong vluchtten. Maar ook het aantal Europeanen groeide tot 20.000.  Hong Kong telde in 1941 1 miljoen inwoners. Dat aantal daalde gedurende de oorlog tot 600.000 mensen in 1945. Na de oorlog zijn de bevolking en de stad explosief gegroeid. De huidige protesten betreffen een nieuwe wet die het mogelijk zou maken inwoners van Hong Kong uit te leveren aan China. Nu dreigt de invloed van China steeds groter te worden en lijkt het erop dat China steeds meer aanstuurt op ‘één land, één systeem’. De ‘geurige haven’ of fragrant lagoon (er werd ooit wierook verhandeld, anderen zeggen dat er geurige bomen stonden) is veranderd in een strijdtoneel. Het is echter niet voor het eerst dat de bewoners van Hong Kong in opstand komen. Vanaf 1997, toen de voormalige Britse kolonie een onderdeel van China werd, probeert de landelijke politiek een stevige greep op Hong Kong te krijgen. Toch behielden de inwoners onder de noemer ‘één land, twee systemen’ rechten die de inwoners van de rest van China niet hebben. Zo is Hongkong de enige plek waar Chinese burgers de protesten op het plein van de Hemelse Vrede in 1989 mogen herdenken. Ook mogen ze openlijk kritiek uitoefenen op de regering. In het verleden hebben demonstranten wel eens iets kunnen bereiken. In 2002 wisten zij een strengere veiligheidswet te voorkomen. Ook een pro-Chinese onderwijshervorming ging niet door na felle protesten. Met paraplu’s beschermden de betogers zichzelf tegen traangas. Om deze reden gingen de protesten de geschiedenis in onder de naam‘parapluprotesten’. Het recht om openlijk de regering te mogen bekritiseren werd in 2014 gebruikt om het verbod op vrije verkiezingen af te dwingen. In september 2014 hielden demonstranten elf weken lang het financiële hart van Hongkong bezet, maar in december van datzelfde jaar werden ze door de politie uiteen gedreven. Peking wilde niet wijken uit vrees dat er een leider gekozen zou worden, die de Communistische Partij onwenselijk zou achten. De vraag is dan ook hoe effectief het huidige protest is tegen de reus China en hoe het zal gaan in 2047, wanneer de huidige status van Hong Kong zal worden heroverwogen. Toch zou het wellicht in het belang van de Chinese economie zijn als Hong Kong haar huidige autonomie zou behouden.

Hong Kong in the 1930s

In 1929 vroeg Frans de Jongh – inmiddels al wel een Old China Hand – Willy Defoer op een verlof ten huwelijk. Na haar kortstondig het hof gemaakt te hebben, volgden de verloving, het bliksemhuwelijk in september en de huwelijksreis tot in oktober in Zwitserland en scheepten zij zich in op een  schip van de Nippon Yusen Kaisha Line met al hun huwelijksgeschenken, waaronder een Sèvres servies en de 72 kristallen Val St. Lambert glazen. Frans was 34 jaar en Willie 25 jaar oud. Ze had geen moment geaarzeld en meteen haar jawoord gegeven, ondanks haar beschermde jeugd in Amsterdam.

                                                                                                                           The Peninsula Hotel Kowloon 1920s

Toen ze in november in hun eerste standplaats Hong Kong, de Britse Crown Colony, aankwamen bleek er nog geen woning beschikbaar. Er was woningnood onder meer vanwege het grote aantal vluchtelingen in Hong Kong. Het jonge paar nam hun intrek in het chique Peninsulahotel (het mooiste van Hong Kong schreef Willy) op het uiterste puntje van het schiereiland Kowloon. Het was iedere dag mooi weer. Vanuit Kowloon namen ze vaak het grappige pontje, zonder voor- of achterkant, naar Hong Kong Island met de Victoria Peak, de harbour in Queen Mary Bay en Victoria City. Iedere dag keken ze welke boten er waren binnengekomen. Grote oceaanschepen voeren af en aan. Op zondag verkenden ze samen de omgeving te voet, ook de Chinese wijk, die Willy een beetje vies vond. Dat viel wel op, want de meeste Europeanen reden in auto’s, bussen of riksja’s. Frans ging aan het werk en Willy ging vaak ‘tea-en’ met Chinese, Engelse of Nederlandse dames. Zij en Frans hadden ook vaak dinertjes. Ze droeg voor die uitjes haar ‘zijdjes’. In het hotel was vrijdag dé party night, waarvoor Willy zich iedere week in galakleding stak. Verder stond het hotel ook bekend om zijn tea dances, die zelfs anno 2019 nog gehouden worden. Willy verplaatste zich in de stad vaak in een riksja om vriendinnen te bezoeken. De Chinezen leefden op een andere planeet. Een citaat uit een brief van Willy: De Chinese vrouwen verrichten zware arbeid. De mannen nemen het gemakkelijker op. De Chinese winkels zijn lekker rommelig. De kinderen zou ik graag een bad geven. De zindelijkheid, vooral in de Chinese straten, laat veel te wensen. Veel mannen hebben kale plekken op hun hoofd als gevolg van een huidziekte. Toch is het wel een grappig volkje, altijd luid schreeuwen alsof ze de grootste ruzie hebben. En dat is dikwijls een vriendschappelijk koutje. Paarden en honden zie je hier zelden. Het eerste soort zijn dan nog rijpaarden, want dikwijls zie je een vrouw de eg trekken.’t Is goedkoop beweren de mannen.

 Hong Kong, streetscene  in the 1930s                                                Christmas, 1929, in the hotel room

 Charles in Shanghai, courtesy Kien family archives

 

                  the Peninsula Hotel Kowloon 1930s                                                           Tea Dances

Het liefst wilden ze op de Victoria Peak gaan wonen, op Hong Kong Island, vanwege het koele klimaat in de zomer en omdat het uitzicht er schitterend was. De huizen daar waren wellicht veel te groot en bovendien op dat moment de duurste ter wereld.  De top van deze Peak kon je bereiken met de funiculaire, de elektrische kabeltram, die 1330 feet in 7 minuten aflegde en die onderweg regelmatig stopte. Natuurlijk waren er ook uitstapjes naar de Races. Gokken op paarden was in alle Chinese verdragshavens een favoriet tijdverdrijf. Willy won al snel een cash sweep bij de Races in Fangking. Frans en Willy maakten ook graag wandelingen in de bergen van Hong Kong Island, maar ook in The New Territories op het vasteland.

Christmas (Boxing Day) 1929, a walk on the Tai-mo-Shan, where Frans and Willy admired the mountainscape of the New Territories 

In maart 1930 konden de De Jonghs verhuizen naar het huis aan de Chatham Road. Ik citeer de volgende anekdote uit mijn boek: Nog een mop – bij vertrek uit het hotel.- Ik kreeg een rekening van $ 11.61 i.p.v $ 116.10 – de klerk had zich eventjes een decimaal vergist.- Ik maakte de manager erop opmerkzaam & die vroeg mij om het foutieve bedrag te betalen & en af te wachten of iemand het zou merken.- Hij vertrouwde mij blijkbaar wel. Aan de kas merkte niemand het & ze lieten mij kalm gaan, maar ik was nauwelijks een uurtje in het nieuwe huis of daar kwam de kassier al aanhollen, – angstzweet op zijn gezicht. Ik betaalde hem toen direct het verschil, maar het is mij een raadsel hoe zij onze nieuwe woning gevonden hebben of te weten gekomen zijn. Ik had het niemand gezegd & geen enkele koelie of portier van het hotel was meegegaan, want ik had mijn eigen koelies van kantoor voor de bagage.- ’t Zijn toch slimmerikken & zij van hun kant laten niet los hoe zij er achter gekomen zijn want dat interesseerde mij wel. 

View from the house on 2, Chatham Road  over the empty shores of the Kowloon Peninsula, over the islands and the

sea with the many big oceanships from overseas coming and going. This area is  nowadays a highly developed urban area

with numerous skyscrapers.

Willy, writing letters in her new home

Het zakenleven leefde op. Tegelijk met het zilver waren de prijzen voor katoen en wol en de algehele cost of living omlaag gegaan, hetgeen de koersdaling neutraliseerde. Gevolg was dat de Chinezen hun katoenen en wollen stoffen weer voor dezelfde zilverprijzen konden kopen als in de voorafgaande jaren. Frans De Jongh had in die tien jaar al gemerkt dat er geen grote prijsfluctuaties voorkwamen in een zilverland. Tenslotte was zilver ook een product ten opzichte van katoen, wol en ijzer. De Chinezen voeren dus wel bij hun zilveren standaard. Frans en Willy begonnen nu aan hun leven in China en zouden pas na de Tweede Wereldoorlog terugkeren naar Europa. Op 8 september 1930 zou hun eerste kind, dochter Annie, in het huis aan de Chatham Road geboren worden.

Willy, during  a walk on Hong Kong Island, from the mountain  you can see the harbour in Queen Mary Bay, deep down below,  February 1st, 1930

 

Screen traveller, Hong Kong 1930s, Old Movie Collector 

Ooggetuigenverslag van de intocht van de communisten in Shanghai in mei/juni 1949, nu precies 70 jaar geleden

 

                              

Het kantoor van de JCJL in Shanghai Bron:Pieter Lommerse, Charles in Shanghai, Van den Brandeler-Meyrier archief, flickr.com

De heer H.A. Slettenaar, secretaris van de VERENIGING VAN OUD-PERSONEEL DER KONINKLIJKE JAVA-CHINA-PAKETVAART LIJNEN zond mij dit bijzondere dagboek van de intocht van de communisten in Shanghai in 1949. De KJCPL heette in die tijd de JAVA-CHINA JAPANLIJN. Na de oorlog is de naam veranderd omdat het bedrijf niet meer met Japan geassocieerd wilde worden. Nog later gaf men de voorkeur aan de naam ROYAL INTEROCEAN LINES, omdat de scheepvaart zich toen niet meer alleen beperkte tot Oost-Azië. Het bedrijf de HOLLAND-CHINA-HANDELS- COMPAGNIE was shipping agent voor de JCJL. Frans de Jongh uit mijn boek werkte in de jaren 20 voor hen, maar was in 1949 al gerepatrieerd. Het is interessant te lezen hoe deze Old China Hand  die al jaren in Shanghai woonde en werkte deze weken 70 jaar geleden beleefd heeft.

Dagboek Shanghai – Mei 1949

(geschreven door J. Carrière, medewerker van de JAVA-CHINA-JAPANLIJN)

(uit de nalatenschap van Kees Dirkzwager)

Dagboek van een vredelievend mensch

Ondertitel: Een rammelend verhaal over de Communistische bezetting van Shanghai in mei 1949

Inleiding

Op maandag 9 mei, ’s morgens om acht uur, vertrok de MARIEKERK naar Hong Kong op weg naar Europa. In de grijze morgenmist zag Dirkzwager het schip af en staarde het na toen het slaags lag en langzaam vooruit de Whampoo afstoomde naar huis . Hij moet gedacht hebben: “Wanneer komt de volgende?”, doch hij beweert alleen maar slaap te hebben gehad.

Het Nationalistische en Communistische China waren niet tot overeenstemming gekomen. Na maandenlang praten gebeurde het voor China normale. De sterkste wilde alles hebben. Dit was niets nieuws. Toen Chiang Kai-shek dacht dat hij de sterkste was – dat is heel lang geleden, bijna een jaar -wilde hij alles hebben. En het heeft geen zin overeenstemming trachten te bereiken wanneer geïnsisteerd wordt dat de tegenpartij alles opgeeft. Zo verliepen de dagen in nutteloos gepraat.

De Yangtsze – China’s Sorrow – was geforceerd. Nanking was gevallen. De communisten rukken op langs de spoorlijn naar Shanghai! Soochow valt! Langs de spoorlijn naar Hangchow. Kashin valt! Ze zitten overal. Langzaam wordt Shanghai ingesloten.

De foreigners weten alles van het gordijn. Ietwat verbaasd realiseren ze zich dat straks een bamboegordijn kan vallen, dat henzelf individueel treft. Wat te doen? De Amerikanen, altijd een emotioneel volkje, worden een tikje opgewonden. Er zijn zoveel nieuwelingen bij. Terug naar pop en mom! De ouderen, die hier jarenlang geweest zijn en zich daardoor de meer bezonken filosofie van Europa eigen hebben gemaakt, zijn geestelijk meer verbonden met West-Europa dan met het Midden-Westen.

Ondanks de oude scheidslijn tussen Chinezen en niet-Chinezen ontmoeten deze groepen elkaar in Shanghai waarschijnlijk meer dan ergens anders in China. Velen zij  intieme vrienden. Meer dan in het Zuiden spreken hier foreigners Chinees. Ze gaan gezamenlijk naar diners, cocktailparty’s en komen bij elkaar op visite. Wij kennen elkaars kinderen en elkaars huizen. Doch er is één ding, dat vrijwel ongelooflijk en zeker onbegrijpelijk is voor de buitenstaander. Deze miljoenen Chinezen in Shanghai, ondanks de afschaffing van de extraterritoriale rechten, ondanks de opheffing van de concessies, kijken dag in dag uit wat de foreigner doet. Verliest de foreigner vertrouwen in zichzelf (met of zonder gunboat protection), wordt hij zenuwachtig, dan lopen de Chinezen prompt te hoop en keren zich gemeenschappelijk tegen hem. In het gunstigste geval houden de allerbeste –  enkele uitzonderingen – , zich afzijdig. Blijft de vreemdeling echter onverschillig, neemt hij de komende dingen in dit eeuwige China kalm en accepteert hij de uiterlijke veranderingen als een begrijpelijk gebeuren, en laat hij door zijn gedrag zien dat alles, ook voor hem, steeds het stempel van het tijdelijke draagt, dan heeft deze handvol buitenlanders in Shanghai op de zes miljoen grote massa een kalmerende invloed, die weinig Chinezen bewust begrijpen en waarover vele buitenlanders hier zich nog uitermate zouden verbazen, wanneer het uitgelegd werd.

De Chinezen in Shanghai hebben nooit begrepen waarom het Foreign Settlement en de French Concession geruïneerd moesten worden Zoals het vroeger was , zo was het goed. Want er was geen stad, geen dorp, geen vlek in dit eindeloze China, dat ook maar een vergelijking kon doorstaan met de Concessies (Shanghai, Tientsin, Hankow, Amoy, Canton) en Hong Kong. En ondanks de nationalistsiche agitatie tegen de concessies en de grote satisfactie die uiterlijk “de restauratie van China’ s souvereine rechten” bewerkstelligde, werd door de grote massa de stabiliserende invloed van de concessies diep gevoeld. Slechts de buitenlandse gemeenschap bleef over, thans zonder speciale rechten. Doch in de chaos van de naoorlogse jaren bleef de meer bezadigde Chinees het oog houden op het doen en laten van de buitenlander, bij wie hij in het verleden zo dikwijls bescherming gevonden had.

De Yangtsze was dan gevallen. Bij deze enorme rivier, waarvan de schoonheid en het geweld alleen begrepen kunnen worden door een dichter  of een loods, zag het Nationalistische Leger geen kans de Communisten tegen te houden. Deze drongen steeds verder door en de wereld werd vergast op de tragische kwasterij van een verdediging van Shanghai, tot de laatste man, op een Chinees Stalingrad. Rondom Shanghai werd een houten hek getimmerd, van palen ‘gerekwireerd’ van E.C.A., waarvan de commanderende generaal een kleinigheid per paal verdiende. Niemand begreep de betekenis, doch de bedoeling was schijnbaar dat de vijand daar stil zou staan. Pillboxes werden bebouwd, loopgraven gedolven, dorpen afgebroken en Hunjao, het Zorgvliet van Shanghai, vernield. Nu was het wachten op de vijand. Na al het gebral kwam de vijand, zag en overwon, Ik hield enkele aantekeningen bij met de bedoeling daaruit t.z.t. een officiële brief te distilleren. Ze nog eens doorlezende leek het mij aardiger ze maar te laten zoals ze waren, neergeschreven ’s avonds na het eten en voor het naar bed gaan in de kalmerende stilte van de nacht. Op maandag 9 mei dan, na het vertrek van de MARIEKERK, wachtten wij op de dingen die zouden komen.

Zaterdag 14 mei.

De Communisten komen steeds maar dichter bij en het Woosung Garrison Command maakt het ons steeds lastiger. Deze H.H. willen nu weer allerlei papieren hebben waarvan je niet weet of je ze los krijgt en zonder welke de schepen niet meer kunnen vertrekken.

Gistermorgen seinde ik de MOLENKERK nog dat hij op kon stomen naar Shanghai,  maar gistermiddag heb ik de kapitein maar gemeld niet verder dan Woosung te gaan. Om half twaalf  ’s ochtends kwam hij daar aan.

’t Zag me er echter te riskant uit zodat ik hem maar naar Yokohama heb doorgezonden.

De toestand wordt slechter en het ziet er naar uit dat buitenlandse schepen voorlopig niet kunnen komen.

 

Zondag 15 mei.

Rustige dag, geen verdere ontwikkeling. STRAAT SOENDA gaat regelrecht van Japan naar Hong Kong. Wel zo goed.

Maandag 16 mei.

Moest vandaag beslissen of de TJIBADAK aanstaande woensdag hier kan komen. Ongeveer vijfhonderd Portugezen hadden gehoopt met het schip te evacueren,  maar ik durf het niet aan.

In de stad is alles rustig, maar buiten hoor je geregeld schieten.

Dinsdag 17 mei.

Niets bijzonders. De buitenlanders beginnen dineetjes en cocktailparty’s af te zeggen. Blijven ’s avonds liever thuis. De ramen van kantoor worden dichtgetimmerd. Er rijden opvallend minder auto’s.

Woensdag 18 mei.

Telegram van Hong Kong H.O. TJIBADAK komt op verzoek van Britse Marine vermoedelijk hier voor evacuatie. Onbegrijpelijk. Wat hier is wil hier blijven, behalve dan nog enkele Portugezen, waarvan een gedeelte al weg is. De loodsboot is naar binnen gehaald en alle verkeer op de rivier is gestopt, behalve dan Chinese schepen met ‘evacuerende’ troepen. Evacuatie met een BOAC vliegboot kon niet doorgaan omdat de motorboot niet van de wal naar het vliegtuig mocht. De ‘overname’ schijnt zeer nabij.

Donderdag 19 mei.

Weer een telegram van Hong Kong H.O., dat de TJIBADAK bij de Saddles zal ankeren en gisteravond vertrokken is. Teruggeseind dat ik er niets van snap, dat de Britse Ambassadeur en Consul Generaal er tegen waren en dat ik aannam dat de Britse Marine ervoor betaalde.

De hele dag troepenbewegingen; het is duidelijk dat de Nationalisten wegtrekken. De stad ligt vol met verregende zandzakken. Allerlei nutteloze maatregelen worden bekend gemaakt. Men krijgt de indruk dat de H.H. hun kop kwijt zijn. Central nieuwsbureau berichtte snorkende overwinningen, maar de Communisten zitten al op Gough Island en het vechten komt steeds dichterbij.

Vrijdag 20 mei.

Gisteren schijnen er een vierhonderd Communisten van Pootung geïnfiltreerd te zijn naar Nantao; daarom plotseling ’s avonds om negen uur curfew. Men beweert er 170 gevangen genomen te hebben.

De TJIKINI (de KJCPL motorboot in Shanghai), die ook al gerekwireerd was voor het ‘vertrek’ van de Nationalisten, en daarna – naar men beweerde – met alle verdere river craft gescutteld zou worden, heb ik in het dok van Shanghai Dockyards laten zetten. We doen of we aan het repareren zijn. Ondertussen liggen de olieverdelers in de brandkast op kantoor, zodat ze toch niet varen kan. Hoop dat het goed afloopt en er niet geschoten wordt op de machinegun funderingen die op het Shanghai Dock gebouwd zijn.

Bevestiging van Hong Kong H.O. dat de TJIBADAK voor rekening van de Britse Marine vaart. Het Britse Consulaat wil er nog steeds niets mee te maken hebben en volgens Commander Pringle is het alleen bedoeld als standbye en zijn er nog in het geheel geen plannen voor een evacuatie. Dure grap. P & O is met de TAIREA in dezelfde positie. Dit schip heeft nog vierhonderd passagiers aan boord! Dus dat kost volgens Larkin £ 900,- per dag plus voeding passagiers. Volgens Larkin: “This man Madden is plain mad”. (Madden is de Britse vice-admiraal).

De Bund is vandaag gesloten voor alle verkeer en alleen kantoren met een zij- of achteruitgang, hetwelk de meeste hebben, kunnen werken.

Van alle kanten komen telefonische berichten dat er klaarblijkelijk een aftocht gaande is. Regelde dat de Passage afdeling weer in gebruik wordt genomen om geen ongebruikte kantoorruimte te hebben, wanneer de nieuwe bazen hier zijn. Vernam namelijk dat geoccupeerde gebouwen in Tientsin niet lastig gevallen worden. Talloze geruchten doen de ronde. Een feit is dat de soldaten uit de grote flatgebouwen weggetrokken zijn en dat troepenbewegingen voornamelijk in de richting Woosung plaats vinden.

Curfew  vanavond om acht uur tot half zes ’s morgens. Door het sluiten van de Bund was er wel een congestie in Szechuen en Kiangse Road, maar overigens is alles rustig.

De Club was te bereiken door de achteringang. Drankgebruik en maaltijden normaal. De bevolking houdt zich (nog?) kalm.

Zaterdag 21 mei.

Het blijkt dat het curfew maar in sommige delen van de stad en op de rivier om acht uur is. De rest blijft negen uur.

Gisteravond bericht dat een understanding bereikt was. Binnen 48 uur zou de stad worden overgenomen en de politie had voldoende ‘gekregen’ dat zij dienst zou blijven doen. Het bericht was ongetwijfeld juist. Helaas bleek in de loop van de morgen dat er een hitch in was gekomen. Een Generaal, die in Pootung commandeert, wil toch doorvechten. Aangezien de Communisten op verschillende plaatsen al tegen de Whampoo aanzitten, is het niet duidelijk wat hij wil. Vermoedelijk is zijn deel van de understanding niet groot genoeg. Met dat al is het schieten weer begonnen, wat al direct een naar teken was. Het schijnt dat ook Chang Kai-shek er voor is hier door te vechten.

De Passageafdeling vanmorgen weer in gebruik genomen. Veugelers troont er nu met twee assistenten, benevens stuwadoor Cheng en assistent. Schoonmaken,  telefoon verplaatsen en wat kleinigheden zal bij elkaar 175 US $ kosten. Als het t.z.t. inderdaad bewerkstelligt, dat de nieuwe Heren, die naar ruimte zoeken, er daardoor uit blijven, is het goed besteed. Het wachten is nu maar op schepen en passagiers. Natuurlijk konden de jongelui het weer niet nalaten een grap uit te halen. Ze hebben Veugelers ‘ter gelegenheid van de heropening van zijn departement’ met een mand bloemen vereerd. Veugelers was er echter tegenop gewassen en inviteerde iedereen op kantoor bij hem ‘op het departement’ de opening te komen ‘vieren’ met coca cola. De compradore produceerde toen gezwind een fles brandy, waarmee de smaak en de geur van coca cola verbeterd werd. De stemming blijft uitstekend.

Pringle wilde vanmorgen plotseling een lijst met evacuatie gegadigden opmaken. Vroeg of wij soms nog iemand wisten. Hij heeft momenteel maar een enkele liefhebber. Wij hebben er ook nog een paar; mensen die hebben opgebeld n.a.v. het Hong Kong telegram in de kranten, en dan nog wat Portugezen. En natuurlijk een hoop Chinezen. Maar als ik het goed begrijp, wil; de Navy foreigners evacueren. Daar vallen Chinezen niet onder en de Shanghai Portugezen nauwelijks. Maar nu de Admiraliteit, op voorstel van Madden, gecharterd heeft, moet Pringle ook wel iets doen.

De koers van de Gold Yuan t.o.v. de Amerikaanse Dollar was veertig tot vijftig miljoen, maar er vonden ook transacties plaats tegen tachtig miljoen. De koers heeft eigenlijk niets meer te betekenen. ’t Is maar wat de gek er voor geeft. Prijzen volgen alleen de benedenwaartse daling van de Yuan, nooit wanneer de Yuan even apprecieert. In Amerikaans geld uitgedrukt zijn de prijzen, hoewel steeds stijgende, vrij stabiel. Alleen rijst deed op 18 augustus vorig jaar, toen de Gold Yuan werd ingevoerd, US $ 5,- per pic. En vandaag iets meer dan tien. Iedereen probeert op Amerikaanse Dollars te blijven zitten, want voor US $ 10,- krijg je ongeveer zeven ‘Silver Dollars’ (Chinees), terwijl in het door de Communisten bezette gebied US $ 10,- van twintig tot dertig zilveren dollars doen.

Gerucht dat er een tank van de Standard Oil op Gough Island in brand staat. De Bund is nog steeds gesloten. Als er niet veel minder auto’s reden dan een maand geleden, dan was de congestie in de stad volkomen hopeloos geweest. Nu valt het eigenlijk nogal mee.

Zondag 22 mei.

Vannacht weer de hele nacht vrij zwaar schieten en een allerhevigst onweer. ’t Is betreurenswaardig dat zulks gemeenlijk gebeurt gedurende de uren voor de nachtrust bestemd. Het is hoogst onaangenaam. Vernam zulks van de Consul Generaal. Sliep er zelf doorheen.

Kon gisteravond vanaf het dak van Haig Court het schieten duidelijk zien. Het lijkt mij voor de Chinese soldaten niet zo heel erg gevaarlijk, die mikken op elkaar.

Troepenbewegingen vinden nog steeds plaats van Hungjao, via Avenue Haig en Great Western Road naar de Bund en dan door naar Woosung. Al zijn de besprekingen dan even mislukt, toch geloof ik nog steeds niet dat er straatgevechten zullen plaats vinden.

CNAC en CATC vliegen weer. Tussen elven en enen kwamen er van elk twee binnen. Dus morgen zal er wel weer post zijn.

De politieke toestand is vandaag wel erg onduidelijk. De onderhandelingen gaan nog steeds door. Maar ’t is erg lastig een iegelijk tevreden te stellen, vooral wanneer er onder Chinezen geld verdeeld moet worden.

Bij Kiangwan is wat ammunitie de lucht in gevlogen, d.w.z. van de hoop, niet uit de lopen van geweren of kanonnen.

Bevestiging dat de Standard Oil tank aan het uitbranden is.

Maandag 23 mei.

Er kwamen weer vliegtuigen binnen. Op Pootung en achter Lunghwa/Hungjao veel heviger vechten dan tot nu toe. ’s Middags een vergadering van het Emergency Committee. Deze besprekingen hebben altijd iets irreëels, behalve dan de mededelingen van de Chiefs van de Amerikaanse en Franse powerstations. Die hebben nog voor een dag of vijfentwintig olie voor licht en kracht. De politieke besprekingen lijden veel te veel aan ‘wishful thinking’. De Chinezen van enige invloed, W.W. Yen en zijn kliek, e.a. durven geen leiding te nemen en gaan zelfs zover dat ze John Keswick vroegen of die geen leiding kon nemen. Die kijkt wel uit!

Ik heb er op gewezen dat, wanneer er werkelijk in de stad gevochten wordt, de vreemdelingen anyhow niets kunnen doen. Wordt er niet gevochten, dan kunnen wij slechts helpen wanneer gedurende de overgangsdagen een Chinese groep de zaak in handen neemt en wij uitdrukkelijk verzocht worden, voor zeer speciaal werk, onze medewerking te verlenen. Verder, dat wij zeer voorzichtig moeten zijn, dat ons geen verantwoordelijkheid opgedrongen wordt, daar deze geheel zonder autoriteit zou zijn en, zo er al autoriteit aan verbonden ware, er toch geen apparaat is om die autoriteit te doen voelen, zodat verantwoordelijkheid uitsluitend tengevolge zou hebben dat de foreigner prompt weer de schuld zou krijgen voor alles wat er misloopt.

’s Avonds werd het vechten veel heviger en de hele nacht schoot, naar het schijnt, iedereen in elke richting. Een paar grote branden in Pootung.

Dinsdag 24 mei.

De hele nacht is er door geschoten, wat wel voornamelijk een gevolg zal zijn van de omstandigheid dat het niet heeft geregend.

’s Morgens een optocht  van een vijftigtal vrachtauto’s vol met mensen, papieren vlaggetjes en slogans. Omdat de Bund nog gesloten is en de drukste straten (Szechuen – Nanking e.d. ) werden gekozen, liep het verkeer grandioos in de war. De hele stad heeft de Kuomintang vlag uithangen. Er wordt een soort overwinningsfeest gevierd. Lijkt ietwat prematuur.

De Amerikaanse $ vandaag 27 miljoen Gold Yuan. Ook al vanwege de overwinning. Het geheel is fantastisch daar de hele stad weet dat, wanneer de Communisten het bewind morgen niet overnemen, zulks dan toch overmorgen het geval zal zijn. Dergelijke dingen zijn degene die China zo aantrekkelijk maken. Zonder de kans te krijgen om te bekomen, val je van de ene verbazing in de andere. Never a dull moment.

B & S heeft driemaal met Holt’s Wharf in Pootung getelefoneerd. De werf is door de Communisten bezet en de Commandant van de troepen heeft zijn opwachting bij Sherwoord, de Wharf Manager, gemaakt. Het was een beleefde man.

Overigens schijnen zij ondanks hun nederlaag toch vrijwel de gehele rechteroever van de Whampoo bezet te hebben, behalve dan misschien het laatste eindje bij Woosung.

Vandaag Empire Day. De Britse leden gaven oudergewoonte free bar aan hun andere clubgenoten. Vooraf werd de gedenkplaat onthuld voor de doden van de laatste oorlog. Daarna in de bar een uitstekende speech van Urquhart, de Consul Generaal. Opgewekte stemming. Het clubbestuur gaf een lunch voor Urquhart en Dean Trivett, die de gedenkplaat dedicated had. Gedurende de lunch kregen verschillende onzer echter telefoon calls, dat  de Commies bij de Great Western Road naar binnen kwamen en er werd aangeraden zo snel mogelijk naar huis te gaan, daar het anders mogelijk moeilijk zou zijn de woonhuizen te bereiken. De lunch werd dus enigszins abrupt beëindigd.

Ging eerst nog even naar kantoor, waar Dirkzwager de middagdienst had, met wie ik nog een tweetal telegrammen verzond. Sinds enige dagen houden wij kantoor van acht tot één i.v.m. de noodtoestand en om de mensen de kans te geven thuis te eten en bij hun eigendommen te blijven.

Alle ruiten en ramen van kantoor zijn met papierstroken beplakt, doet je aan Londen denken gedurende de oorlog.

Noteerde op de rit naar huis belangrijk minder Kuomintang vlaggen dan ’s morgens op weg naar kantoor.

Inderdaad waren de Communisten bij de spoorlijn aan het infiltreren, doch bij mijn huis was nog niets bijzonders te constateren. Ook bij van Rhoon, Veugelers en Dirkzwager nog rust, bij Dekker is het echter hevig rumoerig. Die zit het verst naar buiten.

Bij hem werd om een uur of één ’s middags de goed georganiseerde compound, bestaande uit een twintigtal voornamelijk door foreigners bewoonde huizen, omringd door een bamboe schutting en zwaar gegrendelde houten deuren, waarbij ze om de beurt wacht kiepen, verstoord door (Nationalistische) soldaten – naar later bleek officieren – die zich onder het uiten van dreigementen, toegang verschaften en met hun vrouwen, bagage, munitie, rijst, etc. intrek namen bij één van de Chinese inwoners. Een hele truck werd ontladen, het lossen duurde een uur.

De Chinees, die het slachtoffer was van dit geval, merkte later terecht op dat deze inkwartiering waarschijnlijk daaraan te danken was dat er zoveel foreigners in de compound waren, bij wie de militairen zich het veiligst voelden in geval van een ongunstige wending in de vijandelijkheden.

Gelukkig echter vertrokken deze heren twee uur later in grote haast. Al hun bezittingen, en nog iets meer, hetgeen de gastheer eerst later merkte, werden weer op een auto geladen en binnen tien minuten waren ze weg. Er ging een zucht van verlichting op, speciaal onder de Chinese residents, die natuurlijk bang waren voor hun goudbaartjes.

Een einde verder, in de Columbia Road, kwam een geweldige hoeveelheid munitie uit door militairen bezette tuinen tevoorschijn, welke op trucks werd geladen. Toen het gevalletje weg was voelden ze zich wat veiliger. Als die munitie in de lucht was gegaan, was er geen huis in de compound blijven staan.

De hele middag trokken soldaten in ongeregelde groepjes langs zijn huis, op weg naar de stad. Ze kwamen kennelijk van het Hungjao front, van welke richting hij nog geregeld hoorde schieten. Ze zagen er zeer vermoeid uit, modder tot aan hun knieën, sommigen konden nauwelijks hun geweer dragen. De gewonden werden in pedicabs vervoerd. De terugtocht langs zijn raam deed soms wel tragisch aan.

Kort voordat dit begon vonden ze het blijkbaar nodig Columbia Road van publiek schoon te vegen. Een paar stengunkogels vlogen voor zijn huis in de grond. Gelukkig werd niemand geraakt.

Een pedicab koelie, die bezig was de band van zijn omgekeerde riksja te repareren, wist niet hoe gauw hij zich uit de voeten moest maken. Binnen twee seconden had hij de riksja omgekeerd, maar aangezien het voorwiel kapot was, kon hij alleen maar vooruit door van achteren te duwen met het voorwiel in de lucht. Op die manier rende hij de weg af en schoof een Chinese compound in.

Sindsdien was er op Columbia Road geen kip meer te zien, uitgezonderd soldaten en gevaarlijk uitziende pantserauto’s, die heen en weer reden.

Iedereen is kalm. Het lijkt wel of niemand deze oorlog helemaal au serieux neemt. Dit is trouwens van oudsher gebruikelijk wanneer Chinezen met elkaar vechten.

’s Avonds hevig schieten in het Hungjao district.

Hoewel voor tienen gaan slapen, was het toch hoogst onbevredigend om om twee uur ’s morgens wakker te worden door hevig vuren, dat wel vlak voor de deur leek.. Bij deze oorlog slapen de soldaten overdag terwijl de burgers werken en ’s nachts schieten de soldaten en houden ons uit de slaap. Ik vind het altijd vervelend in de slaap gestoord te worden.

De klappen waren hevig en geregeld machinegeweervuur. Het leek wel Chinees Nieuwjaar. Kon voorlopig de slaap niet weer vatten. Ging buiten kijken maar zag van het balkon van mijn ingebouwde huis niets. Hoorde aan de achterkant wat kogels fluiten, hetgeen later bleek bij de hoek van Haig en Foch geweest te zijn.

Om vier uur scheen het ergste voorbij en sliep ik weer in tot een uur of zes, zodat het tekort aan slaap nogal meeviel.

Tegen zevenen arriveerde de tuinman, die een kwartiertje lopen van mijn huis woont. Hij was de eerste die mij over het grote militair en politiek gebeuren van de afgelopen nacht kon inlichten. “What happen outside?” en prompt kwam het antwoord: “Alla same yesterday, other kind soldier”.

Toen wist ik dat de Communisten Shanghai hadden overgenomen.

Er kwam geen ochtendblad (NCDN). Later bleek dat de delivery boys, die voornamelijk in Hongkew wonen, niet hadden kunnen komen.

Om half acht belt Veugelers op. Het dringt dan pas tot me door dat de telefoon nog werkt. V. heeft naar de Britse zender geluisterd (ik zelf heb nog steeds geen radio, heb bezwaar dat mensen een hoge toon in mijn huis voeren terwijl zij gemeenlijk niet aan mij zijn voorgesteld) en Urquhart adviseert van deze woensdag maar een zondag te maken.

Ik probeer de staf aan de telefoon te krijgen, maar dat gaat toch niet zo vlot. Tenslotte verschijnen V. en van Rhoon met echtgenote bij mij thuis. V. heeft Dekker en Dirkzwager aan de telefoon gehad. Allen zijn O.K.

Het blijkt dat het overal rustig is en inderdaad zijn er ´other kind soldiers´. Het Chinese publiek is weer in volle drommen op de straten. Ze hebben het advies van Urquhart letterlijk opgevolgd en lopen in hun zondagse kleren. Er is een beetje feestelijke stemming. De spanning, hoe het met de overname zou gaan, is voorbij. De kinderen spelen in een paar verlaten Nationalistische tanks op Foch en Rue Bourgeat.

We spreken af in de Franse club te gaan lunchen. Van Swinderen, de Nederlandse C.G., komt ook oplopen en gaat mee. Dekker kan niet, die loopt in de compound nog wacht van twaalf tot vier.

De compradore is opgelucht. De hele staf is OK. We spreken er al over of de MOLENKERK, die 28 mei uit Fusan kan vertrekken, wellicht toch nog binnen kan komen. Wie weet, misschien… morgen wel ´s kijken.

Om kwart voor een lukt het een telegram naar het hoofdkantoor te sturen. Als we een beetje geluk hebben is het vandaag misschien nog in Amsterdam, d.w.z. Amsterdam heeft de kans iedereen gerust te stellen nadat ze thuis de ongetwijfeld waanzinnige telegrammen van vanmorgen in de bladen lezen.

Het is een van de dingen die mij steeds zo irriteren. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden zijn de persagentschappen A.P. en U.P. zo´n beetje de vooraanstaande berichtgevers geworden voor de gehele wereldpers. De kranten zijn er op geabonneerd en drukken alles af wat ze ontvangen, zo iets op de manier van wanneer je eet in een restaurant en na afloop de gastheer nog ´s nauwkeurig over de tafel kijkt en zegt “Hebben we alles opgegeten wat ik betaald heb?”  Geen kritiek op kwaliteit of waarheid. Ik betaal voor het telegram, dus druk ik het. Dat het alles waanzin is wat het stel geëmployeerde schooljongens van A.P. en U.P. doorzonden, laat de pers koud. Zij gaan daarbij uit van de gedachte dat, aangezien het van A.P. of U.P. komt, de redacteur feitelijk geen verantwoordelijkheid heeft. Deze persbureaus brengen bovendien geen nieuws, maar meningen van volkomen onbekende individuen, die er zelfs in slagen hun nooit gehoorde namen boven de berichten te laten plaatsen; meningen waarin niemand geïnteresseerd is. Ik bedoel dit, iemand die verslaggever is moet zeggen: “Er is een moord gebeurd, op dat en dat nummer in die en die straat. Het was een vrouw.” Dat is alles. Maar dergelijke H.H. vermelden het motief en zeuren door over alle omstandigheden die er misschien wel en misschien niet mee te maken hebben en die zij bovendien niet kunnen beoordelen. Nu is in geval van een moord de zaak nogal eenvoudig. Er vinden in Amerika zoveel moorden plaats, dat ze toch allemaal door iedereen vergeten worden en ze op ons eigen leven geen invloed hebben.

Maar nu in de politiek!

Na de volkomen mislukking van de Amerikaanse politiek in Japan, China en de Filippijnen zijn er enkele gebieden waar de USA nog niet de kans had de situatie geheel en al in de grond te werken. Het zijn Hong Kong, de Straits en Nederlands Indië. Ze zijn er dichtbij dat het hun lukt. Maar A.P. en U.P. doen dan ook hun uiterste best om het volkomen te doen slagen. Na  de felle, door en door oneerlijke campagne tegen Nederlands Indië, een gevolg van verregaande algemene onwetendheid, na vijftig jaar lang door domheid gevoede agitatie om het Britse keizerrijk te ondermijnen, na zelfs nu nog de felle aanval van de Communisten op de Straits te steunen, beginnen zij zelfs, zonder enige noodzaak, de wereld rond te bazuinen dat Hong Kong niet Brits blijven kan, gaan zelfs nu nog, nu China van noord tot zuid bewezen heeft dat het alleen maar rijp is voor kolonisatie door het westen (en anders probeert Rusland het), gaan zij zelfs nu nog door het Hong Kong Gouvernement  en Londen te dwingen maatregelen te nemen, die totaal overbodig zouden zijn geweest wanneer A.P. en U.P. niet dagelijks in hun telegrammen te kennen gaven dat de Chinezen zonder moeite Hong Kong zouden kunnen nemen. Iets waar een verstandige Communistische Chinees niet aan zou denken, wanneer deze Amerikanen het niet zo voorstelden, dat door het niet te doen, hij ‘gezicht’ verliest. Want Hong Kong is straks de enige schuilplaats voor de Chinezen sinds het krankzinnige verdrag van 1943, in Washington uitgebroed, door mensen die niet wisten waar China lag, die niet wisten wat extraterritorialiteit  en concessies betekenden.

De vrouw, die voornamelijk verantwoordelijk is voor de kwajongens bewoordingen van dat verdrag, die drie jaar political economy had gestudeerd aan het een of andere Amerikaanse schooltje en die door mij, in een vergadering van het Foreign Settlement Liquidation Committee , ondervraagd  werd,  gaf volmondig toe dat niemand in Washington begreep waar het over ging. Mijn Britse, Zwitserse en Amerikaanse collega’s waren het overigens met mij eens dat dit een goed excuus was.

Doch laat ik door gaan met de “bevrijding” van vandaag.

Op de Franse club was alles normaal. Om vijf uur a.m. was de stad door de Communisten veroverd en om zeven uur begonnen de gebruikelijke leden te tennissen. Het is volkomen Shanghai en uitermate correct zich niet door een eenvoudige verandering van bewindhebbers in de war te laten brengen.

De gebakken kabeljauw en de nieuwe aardappelen waren bepaald niet goed. Ik vrees dat de kok van de omstandigheden gebruik meende te moeten maken om enkele slechte voorraden, minderwaardige olie en mislukte aardappelen kwijt te raken. De markt was gesloten. Dit was natuurlijk niet waar, want elke cook van elke huishouding kwam met de boodschap van de markt dat er alles was, tegen ongeveer dezelfde prijzen als de vorige dag. Maar de Chinese Seigneur, die de keuken van de Franse club runt, ‘gets away with it’. Wat hij natuurlijk wel weet.

Het was niet vol; en niet leeg. Voor een woensdag goed bezet. Voor een ‘zondag’ vrij stil.

Semmelink kwam binnenlopen. Voor de Cathay Mansions – waar hij woont – was ’s morgens een handgranaat gevonden. Men had er een tikkie bevreesd naar gekeken. Doch een van de boys kwam met een emmer water aangelopen en stopt het ding erin. “These things alway leak”  zei hij. “I know all about it, me have been Captain Nationalist army”. Dus dit werd ook al weer bevredigend opgelost.

Verder verliep alles rustig, de Bund is nog niet veilig.

Tegen vijven kwamen Dekker en zijn vrouw aan. Zij hadden het vechten vlak voor de deur gehad. Een soort ringseat. Volgens mevrouw Dekker was het lawaai shocking geweest. Hij liep vannacht in zijn compound de hondenwacht  met een andere Europeaan, een Duitser.

Even voor middernacht, toen het schieten in de buurt – meest mitrailleurs – heviger werd, hoorden ze vlakbij een ontploffing en zagen in de richting van de Great Western Road een blauwe steekvlam. Later bleek dat een transformator van de Power Company getroffen was, mogelijk met opzet. Columbia Circle en Great Western Road zaten prompt zonder electriciteit.

Tussen een en twee uur van zijn wacht werd op de hoek van Columbia Road en Great Western Road hard geschoten met zware mitrailleurs. Ze schoten van dat punt ook de Columbia Road in. De kogels vlogen langs zijn huis en een scheen tegen de muur af te ketsen. Hij zoekt nog steeds naar het gat. Overigens was er niemand op straat en het schieten scheen volkomen doelloos. Een soldaat stond voor de poort een beetje met een stengun te paffen, blijkbaar trigger-happy. Om twee uur ’s morgens was het schieten, althans in zijn buurt, afgelopen. Tegen half drie hoorde hij vaag lopen op de Great Western Road, ongeveer twee honderd meter van zijn huis. Hij kon echter in het donker niets zien. Later hoorde hij van de B & S mess, die op het bewuste kruispunt wonen, dat van half drie af Communistische soldaten in twee rijen, aan weerszijden van de straat, de Great Western Road afliepen in de richting van de stad. Er waren er honderden.

Het is wel merkwaardig dat de vijand een half uur nadat de Nationalisten de straat beschoten, zonder moeilijkheden de stad konden binnenwandelen. Van house to house fighting was geen sprake.

Iets verder, op Avenue Foch, is nog wel even gevochten; speciaal vuren vanuit terugtrekkende Nationalistische pantserauto’s. Hierbij schijnen ook nog doden gevallen te zijn.

Tegen negen uur kwam een jachtvliegtuig, dat boven hen had gecirkeld, naar beneden duiken en gaf een paar bursts met de mitrailleur op de grond, niet ver van Columbia Road. Binnen drie minuten was de hele Columbia Road, waar toch zeker een honderd mensen stonden, schoon. Hoe ze zo gauw weg waren is een raadsel. Dekker had nog nooit pedicab coolies zo hard zien fietsen.

Vroeg naar bed.

De heer Jan Carrière, de auteur van dit verslag, zit in het midden op de eerste rij. De foto is gemaakt in 1940. Het Nederlandse kantoorpersoneel had zich gemeld bij de politie of bij een militaire organisatie na de inval van de Duitsers in Nederland, op aandringen van de plaatselijke vertegenwoordiger van de JCJL in Shanghai De heer Carrière. Deze organisaties zorgden in hoofdzaak voor het handhaven van de openbare orde in de Franse Concessie en het International  Settlement in Shanghai.  Carrière en Dik werden als reserve ingedeeld bij de Franse politie en de anderen vormden de kern van de Nederlandse sectie van de Shanghai Light Horse Brigade.

Donderdag 26 mei.

Gewone tijd naar kantoor. Op Edward VII hangen de rode vlaggen uit. Ze zijn nogal klein omdat ze ’s nachts zijn gemaakt door van de Kuomintang vlag de witte ster op het blauwe veld af te knippen, zodat er niet veel rood vlaggendoek overbleef. Het is een praktische oplossing, daar de Kuomintang vlaggen, die eergisteren wapperden ter gelegenheid van de Victory parade, nu toch niet meer gebruikt kunnen worden.

Slaagde er niet in te weten te komen wie momenteel de hoogste autoriteit is, zodat ik vrees dat de 30ste te dichtbij is om de MOLENKERK nog binnen te laten komen.

Op het Custom House een grote vergadering. De leider van de Communistische cel is momenteel in charge, doch aangezien hij tot heden een vrij ondergeschikte positie had, durft hij niets te doen. In de oude tijd hadden wij hier één Commissioner of Customs. Later kwam er een Jap en nog later een Italiaan bij. Na de oorlog waren er één Engelse en acht Chinese Commissioners. Deze laatsten wisten nimmer precies waar het over ging. De Engelse Commissioner – Rouse – is gisteren en vandaag binnen gekomen, de acht Chinezen zijn echter zoek. Als ze niet terug komen en Rouse Commissioner blijft, is er dus een kans dat het werk in de toekomst beter en vlugger verloopt.

Bij Soochow Creek, Peking Road, Broadway Mansions en Garden Bridge werd van morgen nog gevochten. Hongkew is nog niet bevrijd. Vechten is eigenlijk het woord niet, er werd hier en daar geschoten. In Nanking Road trouwens ook nog. De Bund is nog steeds verboden; om acht uur kwam er een kogel door de eetzaal van de Shanghai Club.

De stad heeft nog steeds een zondags aanzien. Om één uur naar huis gaande, hingen in Foochow Road allemaal Kuomintang vlaggen uit om Mao Tse-tung te verwelkomen. Deze straat heeft de betekenis van de vlag, naar het schijnt, nooit helemaal door gehad. Op Edward VII kermisdrukte. Overal grote cirkels mensen die bewonderend staren naar acrobaten, waarzeggers, goochelaars, rarekieken en poppenkasten. De artiesten duikelden dat het een lust was.

Van de communistische soldaten, die voor Chinezen vrij goed gekleed zijn en zich behoorlijk gedragen, nam het publiek weinig notitie. Er zijn optochten met rode vlaggen en jongens en meisjes dragen rode sterren, die ze aan het publiek voor een zilveren dollar trachten te verkopen. Daar zit wel enige verdienste in. Had helaas geen zilveren dollar bij me.

De kranten verschijnen nog gewoon, doch in een kleiner formaat van vier pagina’s. De China Press – H.H. Kung’s mouthpiece – van vanmorgen heeft een dot van een hoofdartikel dat eindigt met: “Let the March forward, under the liberation, be towards a new era of hope and promise!”  Kung marcheert niet mee. Hij wandelt momenteel op Fifth Avenue in New York.

De openbare diensten functioneren alle normaal, behalve de trams, die stop liggen en maar een enkele bus of trolleycar.

Op kantoor was iedereen binnen. Alleen Pino, de expediteur, kwam een uur of twee te laat. Hij woont in Hongkew en moet een Soochow-creek brug over, waar nog steeds gevochten wordt en het gevaarlijk is. Waarom hij überhaupt kwam is niet duidelijk want er valt voorlopig niets te expediëren. Hij is er natuurlijk net zo heilig van overtuigd, net als de rest van de Hollandse en Chinese staf inclusief mezelf, dat wanneer je er zelf niet bij bent de zaak eenvoudig niet meer loopt. Mag dat wel.

Verschillende optochten van schooljongens en meisjes met rode vlaggen en spreekkoren. Ze zijn even enthousiast als eergisteren.

Op de club was het stil. De meeste kantoren hebben van deze donderdag ook maar een zondag gemaakt. Anderen gaan voor de lunch rechtstreeks naar huis en komen dan ’s middags niet meer terug.

Telegrammen van gisteren en vandaag vanmorgen normaal ontvangen. Uitgaande telegrammen geen moeilijkheden. Postkantoor accepteert nog uitgaande luchtpost. De rest van de wereld is dus nog niet van Shanghai afgesloten. De Gold-yuan wordt nog gebruikt ofschoon de zwarte markt vrijwel stilstaat. Op straat doet de zilveren dollar veertig tot vijftig miljoen Gold-yuan. De laatste notering van de Amerikaanse dollar was ongeveer zeven tot acht zilveren voor tien Amerikaanse. In Kanton schijnt de Gold-yuan vandaag 245 miljoen te doen voor een U.S. dollar. Rare boel; men schijnt dus hier nog meer vertrouwen te hebben in de Gold-yuan dan in Kanton. Wanneer er tenminste nog van vertrouwen gesproken mag worden. Vandaag of morgen zal de People’s money wel verschijnen. Ze noemen het Jenminpiao.

Op het ogenblik lijkt het mij dat Woosung het hoogstens nog twee of drie dagen kan uithouden. Als de Nationalisten dan van de mond van de Yangtsze verdwenen zijn is er eigenlijk geen enkel bezwaar om buitenlandse schepen te laten binnenkomen. We moeten alleen nog uitvinden of de H.H. bijzondere documenten e.d. wensen en hoe het staat met het vaarwater bij Woosung. De loodsen zijn klaar om weer naar buiten te gaan. Over twee of drie weken moet de zaak toch weer kunnen draaien. Hoop dat de wens niet de vader van de gedachte is.

Dr. W.W. Yen – de leider van de laatste delegatie die vredes-onderhandelingen voerde met de Communisten – opgebeld. Zijn secretaris gesproken, dr. Yen was ziek. Ofschoon hij al geruime tijd lijdende is, zal hij zijn ongesteldheid wel uitbreiden tot een politieke ziekte. Sprak af hem morgen een briefje te schrijven, waarbij ik zijn bemiddeling inroep om in contact te komen met een of meer verantwoordelijke mensen, teneinde tot een spoedige hervatting van de scheepvaart te komen.

De Argentijnse ambassadeur gaf gisteravond een cocktailparty voor 120 invité’s ter gelegenheid van Argentinië’s onafhankelijkheid. Er kwamen negen gasten opdraven. Hoogst merkwaardig voor Shanghai waar een iegelijk gaarne gratis eet en drinkt.

Vrijdag 27 mei.

Hadden gedurende de bevrijdingsdagen prachtig weer, wat de algemene feestvreugde bevorderde. Chinezen houden nu eenmaal niet van regen, ’t is niet gezond. Vandaag een druilerige dag met van tijd tot tijd stortregens. Het bekoelt het enthousiasme. Jammer. Ik houd van enthousiaste mensen ook al weten ze niet waarom ze enthousiast zijn. Er zit zo iets begeesterends in – zoals in die laatste borrel die je beter niet had kunnen nemen.

De stad draait weer normaal. Vannacht hebben de Nationalisten het ook in Hongkew opgegeven. Toen de Communisten gisteravond het Noorderstation bezet hadden, was het noodzakelijkerwijze bij de Garden Bridge afgelopen. De hele dag gaat het gerucht al dat het tot en met Woosung bekeken is. Kan echter geen bevestiging krijgen.

Onze motorboot, de TJIKINI, is er goed doorheen gekomen (zie 20 mei). Zij staat nog veilig in het dok en vandaag of morgen halen we hem eruit. Die grap heeft dus vermoedelijk gewerkt.

Bij de hoek van Szechuen en Foochow Road, vijftig meter van kantoor, is een luidspreker opgesteld. De Chinese Internationale en dergelijke liederen klinken een tikje vreemd, maar om het goed te maken gaven ze vlak daarop het jongenskoor van Carmen, waarna een toespraak van een dame die, naar mij leek, een soort valse fluit in haar keel had. Overigens hinderde dit niet; niemand luisterde. Chinezen zijn zo gewend aan en vertrouwd met gewoon  en ongewoon lawaai dat het niet de minste aandacht trekt.

De brief aan dr. W.W. Yen geschreven. Nog steeds weet niemand met wie van de nieuwe H.H. je moet praten. Het kan nog wel een week duren voor een verantwoordelijke autoriteit hier is. Het is misschien logisch maar je zou zo graag haast achter de zaak zetten.

De Chinese chauffeur van van Swinderen, een meneer die bij voorkeur Frans spreekt, gaf zijn opinie vanmorgen als volgt: “La mème chose comme le Kuomintang, au commencement très gentil – apres très mal”. Er is geen twijfel aan dat de meerderheid van de Chinezen er zo overdenkt. Geen enkele ziet de Nationalisten met droefenis gaan, geen enkele ziet de Communisten met vreugde komen. Ze zijn allemaal wary, ze hadden geen vertrouwen en ze hebben geen vertrouwen. Hoe triest en arm moet het leven niet zijn voor die miljoenen, met geen geluk in het verleden en geen hoop voor de toekomst. Voor hen is de dag van gisteren gelijk aan de dag van morgen; vechten voor het dagelijks brood.

De Bund is weer open, doch de rivier is nog akelig stil. Komt wel voor elkaar.

De People’s Money is verschenen. Koersen zijn nog niet bekend. Zelfs Chinezen aarzelen. Wat algemeen verwacht werd is echter al een feit. De zilveren dollar is gevallen als een baksteen en vanmiddag werd al beweerd twintig zilveren dollars voor tien Amerikaanse! Dat is stellig overdreven, kon deze koers zelf tenminste niet krijgen.

Lang gesprek met Peyton Griffin, editor van de North China. Die zit nog steeds met een gebroken enkel thuis. In de club van de trap gevallen, doch de grappen terzake hebben geen grond van waarheid.

Vandaag lijkt ons de situatie als volgt:

De overname of bevrijding is perfect geweest. Beter dan iemand had durven hopen. Shanghai is onbeschadigd. Geen enkele buitenlander is omgekomen. Het gedrag van de Communistische troepen is voorbeeldig. De Nationalisten hebben alleen op zeer kleine schaal kunnen plunderen waar de overname iets langer duurde dan de bedoeling was. In het algemeen is de situatie volkomen onder controle.

Dit is de short view. De long view? Waarschijnlijk precies dat wat de chauffeur van v. Swinderen zei. Maar als de Communisten de verleiding kunnen weerstaan. Als er deze ene maal, voor de eerste keer in China’s historie, eens geen corruptie mocht zijn, dan zitten we hier in less than no time in een ‘boom’ periode, waarvan de magnitude niet te overzien valt. De mogelijkheden en de kansen liggen voor het grijpen, het geld ligt op straat, mits er een streng, niet corrupt bestuur komt. Er wordt al gesproken dat de Shanghai-Nanking spoorlijn binnenkort weer open zal zijn. Dat Shanghai, met een gezond bestuur, weer zijn oude positie kan terugkrijgen en Hong Kong overvleugelen. Ik gok er op.

Maar de Chinezen kennende…..

Op alle huizen en vehikels werden vandaag slogans geplakt. Ook op privé auto’s. Ze zijn daavan later weer agewassen. Maar wij reden met op de ene kant: “Atlantic Pact no more wanchee” en op de andere kant: “American help no more wanchee”.

Zaterdag 28 mei.

De eerste trein van Nanking is gisteren aangekomen en de eerste trein naar Nanking vertrekt vanavond om tien uur.

In Woosung is het inderdaad ook afgelopen. Er worden hier en daar nog wat Nationalistische soldaten opgepakt, terwijl er een heel stel op het laatste ogenblik nog burgerkleren stalen om op die manier te ontkomen. Maar van verzet is geen sprake meer. Binnen drie dagen hebben de Communisten het Nationalistische rommelzooitje opgeruimd. Hoe gek het ook klinkt, en hoewel we een beetje ironisch van bevrijding spreken, het valt niet te ontkennen dat de meerderheid van het publiek de hemel dankt dat dit Nationalistische leger weggevaagd werd. Of het over drie weken, drie maanden of drie jaren dat ook nog zal doen is natuurlijk een andere vraag. Maar op het ogenblik voelt het als een bevrijding.

Het Custom House gaat maandag weer open voor business. Zo ook het Bureau of Navigation. Het laatste is, naar het schijnt, voorlopig gevestigd in het Pacific Hotel, vlak bij het Park Hotel, terwijl het vroeger in het kantoor was van de China Merchants (hoek Canton Road/ Bund, het oude OSK kantoor). Heb vermoedelijk maandag een bespreking met die Heren. Het schijnt wel dat nogal wat mensen van de Nationalistische garde over gaan in Communistische dienst. Die zullen hun oude gewoonten wel mee nemen en dan heeft het nieuwe bewind er straks een hoop ellende van.

Kan nog steeds geen uitsluitsel krijgen aan welke condities moet worden voldaan om een schip Shanghai te laten aanlopen. Heb de kwestie nu anders gesteld en Rouse – de Commissioner of Customs – gezegd dat ik van plan ben de MOLENKERK woensdag hier te laten komen en eventueel de TJITJALENGKA, met de vraag welke bezwaren daartegen bestonden. Rouse zei dat hij officieel van geen bezwaren wist, maar het zou uitzoeken. Hij is er de hele middag mee bezig geweest, maar het schijnt momenteel nog onmogelijk te zijn iemand, die verantwoordelijkheid kan en durft te nemen, te pakken te krijgen.

Curfew is afgeschaft. We kunnen de hele nacht weer op stap. Volgens de Commie’s is curfew tegen de people’s liberty. Kan ik inkomen. Maar de meeste mensen zijn nu zo gewend om vroeg naar bed te gaan, dat het idee nog wat onwennig is om na negenen nog op straat te zijn. Wat leer je onder dwang toch een brave gewoonten.

Maandag 30 mei.

Gistermiddag een telefoontje van Rouse dat we het Trade Bureau in de Central Trust moeten benaderen voor permits om schepen hier te laten komen. Ging er vanmorgen naar toe met Larkin als vertegenwoordiger van Lloyds. Ontvangen door een zekere heer Woo. Deze liep in een vrij armoedig uniform rond doch sprak goed Engels en ontving ons bepaald tegemoetkomend. Volgens hem geen bezwaar dat schepen binnenkomen. Moeten een applicatie indienen vrijwel op dezelfde manier zoals het vroeger gebeurde. Hij zei definitief dat het aanlopen goedgekeurd zal worden. Heb nog geen bericht van Fusan, dat de MOLENKERK vertrokken is, doch calculeer dat dit hedenmorgen of op z’n vroegst gisteravond was.

Diende ’s middags applicatie in voor de MOLENKERK. Ook de TJIKINI krijgt vermoedelijk zonder moeite een permit om weer te gaan varen. Tot nu toe verloopt alles veel vlotter dan ik had durven hopen.

De China Press en de Daily Tribune, beide Chinees eigendom, mogen niet meer verschijnen. De Communisten willen de March Forward dus liever zonder de China Press doen. Vermoed dat er een paar andere heren redacteur zullen moeten worden. De North China en Evening Post hebben (nog?) geen last.

De Goldyuan wordt per 5 juni afgeschaft, doch niemand behoeft het voor die datum meer te accepteren. Daarmee is dit zwendelartikel dan op roemloze wijze geliquideerd. Nieuwe postzegels vandaag in omloop.

Van de Communistische soldaten merk je niets. Er staan er een paar met een geweer op sommige straathoeken. De meeste lopen ongewapend rond en schijnen zich volkomen thuis te gevoelen. Van enige wrijving tussen hen en de bevolking valt niets te merken.

Ben benieuwd hoe het met de permit van de MOLENKERK zal gaan.

Dinsdag 31 mei.

De dag begon goed, een telegram van vrouw en dochter in Rome, in antwoord op een NLT telegram van mij van zaterdag, dat ze het uitstekend maken. De telegrammen komen dus nog steeds normaal door.

Verder dat de MOLENKERK kon binnenkomen. Iemand van het Trade Bureau had het, naar het schijnt,  gisteravond al uitgegeven, zodat het vanmorgen in de Chinese kranten stond.

We maakten de nodige telegrammen voor de gezagvoerder, Seoul en Hong Kong. Deze waren nauwelijks de deur uit of we kregen een telegram van Hong Kong dat het schip al de 29e uit Fusan was vertrokken. Calculeerde dat het5dan al in het Formosa Channel zou zitten. Onder die omstandigheden had het geen zin het voor een 400 ton inkomende lading naar Shanghai te laten terugkomen. Vlak daarop een telegram van Seoul dat het schip morgenmiddag al in Hong Kong kan zijn. Ik had niet gedacht me ooit zo te zullen ergeren dat een schip te vroeg is. Met een beetje geluk had ik, een week na de bevrijding, als eerste een Hollands schip binnen gebracht. Wat een pech. Konden de telegrammen aan de gezagvoerder en Hong Kong nog stoppen.

Werd wat onrustig dat ik nog geen antwoord had van Hong Kong over de TJITJALENGKA n.a.v. mijn telegrammen van zondag en gisteren. Liet de zaak op het telegraafkantoor uitzoeken en toen bleek eindelijk dat er de laatste dagen in de telegrafische verbinding met Hong Kong congestie was geweest en mijn telegrammen eerst gisteravond laat verzonden waren. Met de rest van de wereld is de verbinding steeds normaal gebleven en nu moet het net met Hong Kong zo’n beetje vastlopen. Ben bang dat het voor de TJITJALENGKA nu wel te laat zal zijn.

Wat ik al vreesde is klaarblijkelijk gebeurd. De H.H. verslaggevers schijnen weer ‘hot stories’  de wereld rond geseind te hebben. Via Hong Kong een – vertraagd – telegram van Rotterdam, dat volgens Londen de eerste tijd geen schepen Shanghai zouden kunnen aanlopen en dat, volgens de Nederlandse kranten de pakhuizen op de werven zwaar beschadigd zouden zijn. Er is niets van aan. Zelfs de meest verstandige mens gaat dan wel eens twijfelen of de vrijheid van drukpers onder alle omstandigheden wel zo’n zegen is!

Het Bureau of Navigation is weer gevestigd in de China Merchants. De permit voor de TJIKINI, die dat bureau moet afgeven, schijnt ook in orde te zijn.

Nog geen officiële koersen voor de Jenminpao, behalve dan Goldyuan 100.000 voor 1 Jenminpao. Verwacht wordt dat men dezer dagen de Jenminpao zal trachten te stabiliseren. Ik heb dat meer gehoord, maar voor de Jenminpao bestaat geen dekking en Shanghai heeft teveel ervaring met ‘gemanaged’ papiergeld. Ben bang dat het dezelfde kant opgaat als de Goldyuan.

Import en export regulaties blijven voorlopig hetzelfde. Beweerd wordt dat binnen een week de nieuwe voorschriften zullen komen, die vermoedelijk niet veel zullen verschillen van de oude.

De Communistische radio-omroep van Peking vertelde eergisteravond het volgende verhaaltje: Een boy werd door zijn master opgedragen de kamer schoon te maken en thee te zetten. De boy had er niet veel zin in en zei “Kijk eens hier, we zijn nu in de Communistische staat en allemaal gelijk, dus doe het zelf maar”. De master dacht even na en antwoordde: “Goed, ik zal het zelf doen, maar ga jij dan naar kantoor mijn werk doen, want iemand moet daar toch het geld verdienen!”  “Maar dat kan ik niet. master” zie de boy. “Precies,”  was het antwoord, “Daarom is het maar beter dat jij de kamer doet en thee zet en ik naar kantoor ga.”

“En zo hoort het” voegde de propaganda er aan toe. “Ieder moet het werk doen en blijven doen, dat hij kent en waarvoor hij geschikt is.”

Vannacht wordt de zomertijd weer afgeschaft en zetten we de klokken een uur achteruit. Dat is Peking Standard Time.

Een teleurstellende, nare, druilerige regendag.

Woensdag 1 juni.

Op kantoor komende allemaal lachende gezichten. Zo juist was een laconiek telegram van Hong Kong H.O. ontvangen: “TJIBADAK due yours Friday”!! Dus toch! Iedereen was opgetogen.

Onmiddellijk begonnen wij met de inklaring. Tussen het Trade Bureau en het Customs House botert het niet erg. Er zijn nog veel te veel kleine halfgodjes van het oude bewind in dienst, die hun gewoonten van afschuiven, ophouden, moeilijkheden maken en gewichtig doen, wel nooit zullen afleren. Dirkzwager rent met David Chien van de een naar de ander. De Customs moeten plotseling een geschreven permit hebben, waarvan het Trade Bureau beweert dat die totaal overbodig is. De agent van de United States Lines komt met het nieuws dat de applicatie in vijfvoud moeten zijn met een schrijfmachine en, aangezien alles in het Chinees moet gebeuren, vraag ik me af – als het waar is – hoe of dat nu opgelost moet worden. Niemand weet een Chinese schrijfmachine te koop en, hadden we er een, vindt dan maar eens onmiddellijk een man of een juffrouw die met zo’n ding kan omspringen.

Tenslotte belooft het Trade Bureau dat de vereiste schriftelijke toestemming absoluut zeker om twee uur bij de Customs zal zijn. Om half drie is daar nog niets ontvangen. Weer naar het Trade Bureau. Het blijkt ergens onderweg te zijn. Rouse windt zich op en is razend: “ Op deze manier komen we er nooit”.

Ondertussen is het vandaag Dragon Boat Festival. Alles is in een holiday stemming.

Ik wordt van alle kanten de hele dag opgebeld “of het waar is”. Ik zeg maar: “ja, ja”, maar denk inmiddels aan dat papiertje dat ik nog niet heb. Wel blijkt dat het schrijfmachineverhaal niet juist is.

Passagiers beginnen te informeren. Maar Veugelers kan er nog niet achter komen of hij ze kan boeken en, zo ja, wat de voorschriften zijn. Afschepers vragen hoe ze exporteren moeten. Weet ik het? Het zijn allemaal details. De TJIBADAK moet binnenkomen, dat is het voornaamste. De rest is van later zorg. Maar tien dagen na de Communistische overname moet de scheepvaart van Shanghai hersteld zijn – en het eerste schip moet een Hollander zijn.

Wij geven advertenties op aan de kranten. Geen grootsprekerei – tenslotte moet je in een dergelijk geval een hoop geluk hebben. Ik besluit tot de gewone Interocean vlag en daaronder:

“Royal Interocean Lines”- announce the resumption of the Java China Service – Regular fast fortnightly service to Java-Ports and Makassar via Hong Kong – S/S “TJIBADAK” LEAVING ON OR ABOUT JUNE 4TH

en daaronder de gebruikelijke mededelingen.

Ik wacht nog op die inklaring.

Om half vijf een telefoontje. Het is voor elkaar. Oef – ik slaak een zucht van verlichting. Die TJIBADAK kwam als maar dichterbij.

Het Dragon Boat Festival wordt op de gewone manier gevierd. Iedereen verwacht cumshaw.  Iedereen eet de gestoomde rijstkoekjes in lotusbladeren gewikkeld. De Kuomintang schafte het feest af. Niemand nam notitie. Toen noemden ze het in Nanking maar het Spring Festival en iedereen vierde het zoals dat een paar duizend jaar de gewoonte was. En nu is er een nieuwe tijd / met een nieuwe regering van een week oud / het verleden is vergeten / weggevaagd / alles is veranderd, alles zal beter worden en zes miljoen Chinezen in Shanghai vieren het Dragon Boat Festival, houden boatraces, eten hun rijst in lotusbladeren, zoals ontelbare generaties dat voor hen deden. En zoals ontelbare generaties het zullen blijven doen.

De planken zijn voor de ramen van het kantoor weggenomen en de papieren stroken van de ruiten gewassen.

Weer een druilerige dag. Doch om de een of andere reden niet zo triest en naar als gisteravond.

Donderdag 2 juni.

Gisteravond een telegram van kapitein Moens, dat hij morgen om negen uur bij de loodsboot kan zijn. Dat betekent dus om een uur of een à twee langs de kant. Captain Everest, de Assistent Coast Inspector, heeft definitieve inlichtingen dat het vaarwater van zee tot Shanghai geheel vrij en veilig is. De loodsboot is vanmorgen naar buiten gegaan.

Om half elf bericht dat we Chinese passagiers voor Hong Kong kunnen boeken. Zijn er onmiddellijk mee begonnen. Voor twaalven stonden er al rijen mensen in de Passage Afdeling.

Over de regeling t.a.v. niet-Chinese passagiers wordt nog vergaderd. Vrees dat een beslissing te laat voor de TJIBADAK zal komen. B & S wisten te vertellen dat buitenlanders niet zouden mogen vertrekken of binnenkomen totdat het betreffende land de nieuwe regering erkend zou hebben. Lijkt me niet erg waarschijnlijk, want het zou een hengelen naar erkenning zijn, iets wat ze net verklaard hebben niet van plan zijn te doen.

Verder vernomen dat voor inklaring van een schip de manifesten in zesvoud moeten worden opgemaakt in de Chinese taal. Als dat zo is dan kan dat met een beetje flinke partij lading een eindeloos oponthoud geven. Ik vermoed echter dat dit ook wel weer los zal lopen.

Afschepers zijn druk bezig op het Custom House. Er schijnt toch nog een kansje te zijn dat we nog wat lading krijgen.

Zoal ik al vermoedde loopt het met de tonnage dues waarschijnlijk  ook wel los. In ieder geval wordt de Jenminpao koers niet 600 doch hooguit 390. Verder zal een bestaand geldig certificaat vermoedelijk erkend worden. De TJIBADAK heeft er een, dus dat is eventueel een meevaller.

De eerste call van de TJIBADAK is een geweldige reclame. Alle kranten schrijven erover en de naam Royal Interocean Lines is daardoor ook met een slag in.

Morgen is de grote dag,

Zaterdag 4 juni.

B & S krijgen de SHENGKING met een paar honderd passagiers. Er is nog niet bekend of ze de wal op mogen en er zijn een paar vreemdelingen bij. Wel schijnen ze alle in het bezit te zijn van een Shanghai resident certificate. Ik vermoed dat het wel zal loslopen en dat er niet teveel moeilijkheden zullen worden gemaakt. In ieder geval was het juist wat B & S deed. Je moet al dergelijke dingen proberen om uit te vinden wat de reactie zal zijn. Is die goed, dan heb je meteen een precedent en valt het tegen dan kun je altijd nog praten.

Uitgaande lading wordt door de Customs gepasseerd; we zullen dus een tweehonderd ton krijgen. Valt ook al weer mee. Ik reken op een 250 passagiers. Het postkantoor heeft ongeveer 160 zakken mail.

Vanmorgen reeds bericht dat de tonnage dues met 50% verlaagd zijn.

Een telegram van de gezagvoerder dat hij om vijf uur langs de kant denkt te zijn. Hodde, de Hollandse loods, zal hem wel binnen brengen. Wij wachten nu op het schip. Weten nog steeds niet of er moeilijkheden met aan boord gaan zullen zijn. Enfin, dat zal ook wel weer meevallen.

Toen vanmorgen op de gewone tijd de immigratie gewaarschuwd werd, dat de passagiers morgenochtend zullen embarkeren en het schip om twee uur zal vertrekken, was de eerste opmerking dat de H.H. aan boord wensten te eten. De vraag is nu of de nieuwen “neen “ zeggen, dan wel de oude hetzelfde spel weer kunnen spelen en doorzetten als vroeger. Ze moeten het onder elkaar maar uitknobbelen. Als je daartussen komt heb je niets meer dan ellende.

De Jenminpao zakte vanmorgen al weer in elkaar tot 100 voor een zilveren dollar, de narigheid van constant devaluerend geld zullen we wel blijven houden.

Om vijf minuten voor vijven passeert de TJIBADAK Holt’s Wharf. We gaan naar de Shanghai Hongkew Wharf. Het eerste schip na de Communistische verovering. Langzaam komt het naderbij.

Op de werf staat dezelfde kliek als vroeger. De Immigratie – er is geen enkele passagier aan boord – de Search Party  en al die honderd en een ambtenaren, die door de maaltijden aan boord in het leven gehouden worden. Het zijn dezelfde gezichten. Ze begroeten mij als een oude vriend. Ze zijn erg enthousiast. Ze zullen straks aan boord weer eten.

Een 150 Communistische soldaten staan verbaasd te kijken als, met luid geraas, het stuurboordanker valt en het schip rustig zwaait.

Ik denk aan de laatste veertien hectische dagen. Wat is het allemaal nog vlug gegaan en zo anders dan we gedacht hadden. Op zondag 15 mei ging het laatste buitenlandse schip de haven uit en morgen – drie weken later – vertrekt de TJIBADAK met lading en passagiers. In de tussentijd hebben we oorlog gevoerd, werd een stad van zes miljoen mensen overgenomen, verwisselden we de vlag, leven we onder een nieuwe ideologie en ons hele wereldje behoorde veranderd te zijn.

Tjonge, wat zijn we er goed afgekomen. De valreep wordt gevierd. Ik ga aan boord. In het bamboe gordijn zit een levensgroot gat.

 

 

Documentaire van de VPRO 4 maart 2018 over “Hier in het Oosten alles wel”

Anneke de Jongh is zelf aan het woord

Op 4 maart 2018, dus een jaar geleden, werd de radiodocumentaire uitgezonden door de VPRO in het programma OVT in de serie Het Spoor Terug. Anneke neemt ons mee terug in de tijd door haar verhaal zelf te vertellen. Muziek en geluidsopnamen uit die tijd versterken het gevoel dat je zelf die tijd in China meegemaakt hebt. Op de homepage is het verhaal via een directe link te beluisteren.

China verkend vanuit Shanghai, per boot, per trein en te voet, jaren 20, 20e eeuw

Frans de Jonghs reizen naar het Chinese achterland bij Shanghai

Frans de Jongh en zijn vrienden grepen iedere gelegenheid aan om eropuit te trekken. Ze namen vaak de boot – een zeilboot, een motorjacht of een huisboot – of de trein. Dit vervoer werd gecombineerd met wandelen in de natuur. Frans was een  zeer fitte langeafstandloper. Hij deed immers in Shanghai mee aan snelwandelwedstrijden. Dichter bij Shanghai verkenden de jongemannen de omgeving te paard.

De stadjes en dorpjes op het platteland verschilden hemelsbreed van het het kosmopolitische Shanghai. Je kon er kennismaken met de eeuwenoude  Chinese cultuur en levenswijze.  Het contrast tussen een enerzijds hoogbeschaafde, verfijnde en oude cultuur en de anderzijds uiterst primitieve manier van leven op het Chinese platteland was erg groot. Naast kleine gehuchtjes van lemen hutjes waren er overvolle binnenlandse stadjes en steden, die ommuurd waren en werden afgesloten door een stevige poort met daarboven een dak van gebogen dakpannen.

Schrijvers als Somerset Maughan, Louis Couperus en Slauerhoff, de enkele reizigers, die er rond 1910 in slaagden de binnenlanden te bezoeken schetsen een beeld van de steden en dorpen uit die tijd, dat bevestigd wordt door foto’s. Smalle stampvolle straten vol voetgangers, waaronder venters, bedelaars en zakkenrollers en verder huakans (draagstoelen), riksja’s, kruiwagens en karren, die er doorheen kronkelden, tussen de van grijze in de zon gedroogde baksteen gebouwde huizen door. Je rook er de typische Chinese luchtjes, maar het stonk er vooral enorm, althans zo werd dat beleefd door de buitenlanders. Hygiëne, zoals de vreemdelingen die van huis uit gewend waren, was onbekend bij de Chinezen. In de steden krioelde het van de ratten. De straten waren meestal slechts breed voor twee elkaar passerende mensen. Het plaveisel, dat vaak nat was van het water dat door de koelies in overvolle emmers vervoerd werd, bestond uit ruwe blokken graniet. Er waren geen trottoirs. De daken, waarvan de punten en randen opkrulden, waren bedekt met smalle rijen donkergrijze dakpannen. Winkeltjes waren open, zodat je kon zien wat er binnen te koop was. Vóór de kleine winkels, die niet hoger waren dan de begane grond en er hetzelfde uitzagen, wapperden rode en gouden uithangborden en vlaggen vol Chinese karaktertekens. Winkeliers van één soort handelswaar waren gevestigd in dezelfde straat, een fenomeen dat je nu ook nog steeds elders in het Oosten ziet zoals in Vietnam. De woonhuizen hadden een ommuurde binnenplaats die te bereiken was via een poortje vanaf de straat. Voor deze ingangspoorten zaten vaak twee stenen leeuwen aan de straat, met krullende manen en lachende muilen. De huizen zelf hadden slechts één kamer met een aarden vloer en papieren ramen, die ondoorzichtig waren maar wel licht doorlieten. Binnen had men weinig meubels. Het hele gezin sliep in dikke gestikte dekens en met lange kussens op de al beschreven kang, een groot vierkant stenen bed, dat tegen de muur aangebouwd was en waaronder ’s winters een vuurtje gebrand kon worden. Overdag werd een tafeltje met korte poten op kang gezet om aan te eten. Gekookt werd er op een stenen kachel. Riolering was er niet. Menselijke uitwerpselen werden iedere ochtend door speciale koelies in emmers opgehaald en voor de bemesting van landbouwgrond gebruikt. Water werd uit waterputten gehaald. Olielampjes zorgden voor licht.

Huisboottochtje naar Soochow, Taihu Lake, april 1920

Soochow, het Venetië van het Oosten, was hun eindbestemming. Huisgenoot Walle en Frans vertrokken per huisboot, die gesleept werd om 4 uur ’s middags en kwamen de volgende dag om 10.00 uur aan in Soochow aan het Tahu Lake. Vanuit Soochow maakten de twee vrienden een stevige wandeltocht door de bergen.  Ze kwamen uitgeput en oververhit aan bij de pagode in de bergen en kregen thee van een monnik. Ze voeren vanuit Soochow naar Mutu.

  Links: de gehuurde boot                                                                                           

  Rechts: Soochow (Suzhou)

  Links: de pagode in Soochow

  Rechts: Frans op de boot met Bobby

  Links: brug in Sz-Keu (bij Soochow) waar we  twee dagen met onze boot gelegen hebben

  Rechts:  Soochow 

  Links: berg op berg af                                                       

  Rechts: de laatste berg met de pagode en de berg Modo op de achtergrond

  Grachtje in Mutu

Mokanshan, een hill-station met mistige bamboebossen, 6-11 februari 1921

Mokanshan was een heuvel van 2000 feet hoog, gelegen op de kustvlakte. 40 mijl ten noorden van Hangchow en drie maal zo ver van Shanghai. Er stonden berghutten en vakantiehuizen in Europese stijl en er was een hotel. Het was erg moeilijk om er te komen. In de zomer zochten de westerlingen er verkoeling. Frans en zijn vrienden brachten er een bezoek in de winter. De families die er in de zomer logeerden brachten bedienden en huisraad en proviand mee. Koelies moesten alles de berg op zeulen. Ze droegen de westerlingen zingend in draagstoelen naar boven.

Links: foto van 1994 Old China Hand Press, vakantiehuis uit de jaren 1920- 1930 op Mokanshan

Rechts: februari 1921, in het besneeuwde bamboebos

 Links: Hotel Mokanshan

 Rechts: De vrienden voor een berghut

Hangchow Bore september 1921 en de tocht erheen

Op de foto hieronder zien we de vloedgolf te Haining van ten feet hoog, die regelmatig terugkeerde en voorspelbaar was. ’s Morgens had Frans een treinreis gemaakt van vijf uur. Daarna voer hij met kleine roeibootjes door allerlei binnenwatertjes naar Haining dat een voorstadje was van Hanchow en aan het eind van het Grote Kanaal lag. Deze kleine tsunami komt tot stand omdat het uitvloeiend rivierwater de vloed vanuit zee twee dagen lang na volle maan weerstand biedt. Het Grote Kanaal was eeuwenlang de belangrijkste noord-zuid waterverbinding in China. Het loopt helemaal tot aan Peking. Het kent een geschiedenis van tijdelijk verval en herstel , maar vooral van grote bloeiperiodes.

 

  Links: op weg naar Haining

  Rechts: de Hangchow Bore             

Links: deze roeier roeide tegelijkertijd met een peddel aan zijn hand en een peddel aan zijn voet

Rechts: op weg naar Haining

De waterstadjes langs het Grote Kanaal, september 1921

      

Links: bruggetje in Soochow

Rechts: Kanaal met Stadsgezicht in Soochow

  Links: een grachtje in Soochow

  Rechts: het voorhof van de stadstempel, gebruikt als markt. De winkels en stalletjes staan tot in de tempel naast Mr. Bouddha 

  (onderschriften van Frans zelf)

Links: Waterpaviljoen in Kading (nu Jiaxing)

Rechts Grachtje in Kading

Links: Het Grote Kanaal in Kading

Rechts: Chinese jeugd in gewatteerde winterkleding

 

Langs Het Grote Kanaal

 Langs het Grote Kanaal

Uitstapje naar Kuling, 7-26 oktober 1921

Hill Station Kuling is veel groter dan Mokanshan en ligt verder weg van Shanghai, hoog boven de Yang-Tse-Kiang rivier. Frans en zijn vriend Walle vertrokken ’s nachts vanuit Shanghai over de Yang-Tse met een Engelse boot: de schitterend ingerichte Yuen-Li. De oevers van de Yang-Tse waren overstroomd, daarom leek de watervlakte op een zee.  Ze voeren langs Nanking, Wuhu en Anking. In Kiukiang overnachtten ze in een primitief hotel en reden de volgende dag met een motor-car tot aan de voet van de bergen. Vanaf hier werden ze met draagstoelen de berg op gedragen door de gap, een soort bergpas. De berg heette Mount Lushan. De expatriates noemden het bergplaatsje Kuling (Frans schatte dat er toen wel 100 vakantievilla’s  stonden). Inmiddels heet het weer Lushan. Tegenwoordig is er een drukke toeristische weg, maar in 1921 kon je alleen per draagstoel boven komen. Voor volwassenen waren er vier dragers nodig, voor kinderen twee. Kleine kinderen werden in een mandje aan een lange stok naar boven gedragen. Per drager kostte dit vervoer 78 cent per persoon. Frans vond het griezelig. De koelies liepen langs angstwekkende afgronden. Toch genoten ze van de prachtige vergezichten over de vallei met de gele Yang-Tse en het immense Po-yang meer. De vrienden begonnen zich in Kuling na een paar dagen te vervelen omdat het voornamelijk regende. Ze vermaakten zich dus maar met het schrijven van ansichtkaarten. Op 21 oktober vertrokken ze vanuit  Kiukiang naar Hankow, een leuk plaatsje verder stroomopwaarts aan de Yang-tse, waar de HCHC een kantoor had. Er was een Europese stad met Franse, Japanse, Russische en Duitse concessies. De Russisch-Duitse concessie werd bestuurd door China en zag er onderkomen uit. De terugreis ging tweemaal zo snel omdat de boot stroomafwaarts voer. Van Nanking het per trein naar Shanghai. Op woensdag 26 oktober waren ze weer thuis.

  Links: Frans, aan boord van de Luen-Yi, op de oeverloze Yang-Tse Kiang

 Rechts: Het eilandje ‘Little Orphan’ in de Yang-Tse vanaf de Luen-Yi

 

  

  Links: Jonks op de Yang-Tse

  Rechts: de Pagoda van Anking 

Links: Walle in de ‘sedan chair’  wordt naar Kuling gedragen

Rechts: Uitzicht van Kuling over de Yang-Tse

  Links: rusten bij een beek

Rechts: Kuling in de sneeuw

Zeilen op de Huangpoo bij Shanghai, 5-6 augustus 1922

Links: Frans heeft een moment voor zichzelf: de krant lezen aan boord 

  Rechts: topees of boater tegen de zon

  De housboattocht naar Hanchow (Hangzhou) Westlake april 1925

   Links: april 1925, de lange sleep van huisboten door een stoombootje van Shanghai naar Hangchow getrokken 

   Rechts: een dorpje op weg naar Hanchow         

   Links: onderweg naar Hanchow                                                                         

   Rechts: het interieur van een houseboat, er ging veel drank mee aan boord

Onderschriften van Frans zelf:

Links: Hanchow: poort aan een aanlegplaats voor een beroemde  theetuin op een der eilandjes in het Westlake 

Rechts: ideaal Chinees tuingezicht: paviljoen, wilgenbomen, zig-zag bruggetje, rietjes en water. De eilanden op het Westmeer in Hangchow  zijn vol dergelijke paviljoenen

Woosung 1921-1925

Woosung was een dorpje in de buurt van Shanghai, even buiten de stadspoorten. De jongelui gingen daar vaak wandelen. ( Het heet nu Wusong en is als wijk opgenomen in de stad  Shanghai).

Links: de stadspoort van Woosung

Rechts: boerenhuis even buiten de stadspoort

Links: de hoofdstraat van Woosung

Rechts: doorkijkje door de stadspoort

 

Wandelen langs de Yang-Tse-Kiang

Wandelingen door de Shanghai Hills, zomer 1925

  Links: Vervallen grootheid in China. Alles is ruïnes, niets wordt onderhouden of nieuw gebouwd

Rechts: Grafheuvel in het land

 

  Chineesche vrouwen aan het weefgetouw in de openlucht

(de onderschriften van deze drie foto’s zijn van Frans zelf)

 

 

The children in the ‘Empire of the Sun’

 

Van fictie naar de historische werkelijkheid

In 1984 publiceerde J.G. Ballard zijn prachtige verhaal over een jongen, Jamie Graham , die na de Japanse aanval op Pearl Harbor in de daarop volgende chaos in Shanghai  zijn ouders uit het zicht verliest en vervolgens gevonden wordt door de Japanners, die hem in een interneringskamp onderbrengen. Hij wordt pas na de bevrijding, jaren later, met zijn ouders herenigd. Het boek is gebaseerd op Ballards eigen ervaringen, maar het is wel een roman. Toch is het zo overtuigend geschreven dat het een autobiografie lijkt. Ballards initialen staan voor James Graham, en ook deze naam suggereert dat het de schrijver zelf precies zo is overkomen. Bij het schrijven van mijn boek over tante Anneke kwam ik er achter dat het verhaal de waar gebeurde werkelijkheid weergeeft van de Chefoo kinderen. In het Japanse gevangenenkamp Weihsien, Shantung, waar zij geïnterneerd was van 1943 tot 1945 verbleven enkele tientallen Jamies, die jarenlang gescheiden waren van hun ouders.

The Chefoo School of the China Inland Mission

Raymond Moore, David Allen, John, Mary, Jamie en Kathleen Taylor

Weihsien, het is 10 september 1945: Zes Chefoo kinderen staan klaar om aan boord te gaan van een Amerikaans vrachtvliegtuig voor een vlucht naar Xi’an, waar zich een  OSS basis  (Office for Strategic Services) bevond. Na Pearl Harbor waren de Britse leerlingen van de Inland Mission School uit Chefoo, aan de noordkust van Shantung, met hun docenten (zendelingen) door de Japanners ondergebracht op een tijdelijke locatie: Temple Hill ook in Shantung . In augustus 1943 werden ze naar Weihsien gebracht waar ze uitgeput aankwamen. Het was een zware reis, eerst met de boot naar Tsingtao en vervolgens met de  langzame boemeltrein.  De ongeveer honderd kinderen tussen de 6 en 18 jaar leefden toen al een aantal jaren gescheiden van hun ouders. Al voor de oorlog uitbrak was wederzijds bezoek bijna niet meer mogelijk, vanwege de toenemend chaos en onrust.

De internaten van de Inland Mission Schools waren opgericht door organisaties van Britse, Amerikaanse en Canadese zendelingen voor de kinderen van zendelingen op missieposten ver in de binnenlanden van China. De ouders van de kinderen op de foto woonden in Kunming en in de buurt van Xi’an. De Taylors waren naar een gebied in de buurt naar Xi’an gevlucht vanuit Honan. De regio’s rond Xi’an en Kunming waren onbezet tijdens de oorlog.

In Weihsien werden de Chefusian kinderen angstvallig beschermd tegen invloeden van buitenaf. Hun leraren voelden zich natuurlijk uitermate verantwoordelijk voor hen. Ze kregen degelijk en vroom onderwijs en gingen nauwelijks om met de andere kinderen in Weihsien.

De thuisvlucht naar West-China

B 29, bommenwerper en vrachtvliegtuig ontwikkeld in de Tweede Wereldoorlog

Ray Moore ( de jongen op de foto met de gebroken pols) vertelt:

We six were bundled  onto an American Transport Plane carrying used parachutes back to Xi’an. There were no seats so we sat on them. In Xi’an we were taken to the American barracks, where we stayed for a couple of days. I had more new experiences that stayed with me for the rest of my life. I was given toothpaste! Up to this time I had been using soap. I was given Coca-Cola and  had an immediate liking for it. In the evening I was taken to the outdoor picture theatre, where we sat on director’s chairs and watched cartoons like Mickey Mouse. The four Taylor children were taken to Xi’an to the mission station.  David Allen and I were put on an American Air force plane and taken to Kunming in the south, where David’s parents were stationed, but a long way from Hanzhong in South Shaanxi where my parents were. Hanzhong is about 220 kilometres south of Xi’an while Kunming is almost 2,000 kilometres further south again. Why was I mistakenly taken so far out of the way when my family was waiting impatiently to hear that they could pick me up from Xi’an? The mistake seems to have originated from someone in Weihsien having an inaccurate knowledge of our parents’ locations. At this stage, my parents heard from another missionary friend who wrote to them saying,There was great excitement last night when the four Taylor children walked in. Your Raymond would have been with them, but he has been taken on to Kunming with a fractured wrist.”  

I was flown from Xi’an to Kunming in a bomber called “The Homesick Angel”.  I became airsick on the trip, because I had eaten a bar of chocolate and because I was sitting on a pull down seat just behind the pilots and opposite the navigator, he ended up with that chocolate and more, decorating his uniform. He took it very well, and seemed to hold no grudges. At Kunming I was taken to the local CIM mission home. Here I stayed the night with David Allen and his family (picture) and slept in a seemingly deserted wing of the building.

Finally  my parents  received a telegram from the missionary in charge at Kunming saying, “Raymond here safe and well. Will send on to Hanzhong or Xi’an as soon as transport is available.” Transport became available almost immediately,once more per kind favour of the American air force, and I was returned to Xi’an on another bomber, minus my cabin trunk of precious belongings, which I never saw again. Back in Xi’an I was left at the airport and there seemed to be no one there to pick me up. Fortunately there happened to be a friend of my parents from another mission at the airport who saw me wandering around and asked me who I was. When he discovered that I was the son of his missionary friends, he took me to his home to stay until Percy could come and pick me up. A couple of days later, Percy, my dad, was able to make his way to Xi’an and catch up with the son whom he had not seen for five years. The reunion with Percy was far from worldshattering. I was in bed when he arrived and he came in to the room to meet me. My instinctive reaction was to duck under the bedclothes and hide from him. With the help of a British army convoy, and in spite of landslides across the road, we eventually arrived in Hanzhong. I walked up the path to the mission home and was greeted with great rejoicing by Amy, my mother, and youngest brother and a little sister whom I had never seen. My other brother came home from a boarding school in Kalimpong, India some weeks later. So I was home and we were a family again. Or were we?

Mary Taylor vertelt:

We four Taylor Children were on the second plane. We were flown to Sian, 110 miles from home. A Chinese friend of my Father’s took us by train to within 15 miles of Fenshiang, then hired a cart and began driving us in the rain down the rutted road. It was dusk. But the mule was too slow for us, and we jumped off the cart and raced ahead, sloshing barefoot through the mud until we met one of our parents’ students, who led us through a moon gate, across the Bible school compound. We saw our parents through the window. Daddy and Mother were sitting in a faculty meeting. I began to scream and I saw Father look up. The student pushed through the bamboo screen. “Mrs Taylor,”he said ” the children have arrived.” and we ran stumbling and shouting “Mommy! Daddy!” through the doorway and into their arms.

 

Family Reunion

The Taylor family, the day after the reunion in Fenghsiang, Shgensi

Voor de ouders die ver in de binnenlanden verbleven was het een heel zwaar gelag. Ze hoorden vrijwel niets meer van hun kinderen en ook de kinderen konden hen niet bereiken. De Taylor kinderen zagen hun ouders vijf en een half jaar niet. Op de foto staande v.l.n.r.: Mary, Jamie, Kathleen en John. Zittend: Alice met Bertie, bijna 5 jaar oud, die de andere kinderen nog nooit gezien hadden en James sr.

Mary’s moeder Alice: We thought the children were safe, there on the coast of China, safe from anything. Until the Japanese invaders came. James and I were Free Methodist missionaries, a husband-and-wife team, deep in the Chinese province of Honan. Our four children were in the Chefoo School in Shantung Province, 1000 miles away. My husband had attended that school. His grandfather, James Hudson Taylor I, had started it. The school had known four generations of Taylors, and the teachers were more family than not. My father-in-law Herbert Taylor was there in Chefoo, too. I felt as if the children were in their own home, safe and snug. I was an American, my husband was British. We’d long been missionaries. So it seemed to me that the children would be safe anywhere in the world. Then suddenly the Japanese swept into China. Bombs plunged to the earth, maiming and killing people.We were cut off! It was impossible to get back to Chefoo. Pushing farther inland from the east, the Japanese overran Honan in 1939, and James and I ran for our lives. I was six months pregnant at the time. We escaped to the town of Fenghsiang, far, far inland, on the western border of Shensi. But my thoughts were constantly in Chefoo. How could I have known when I married into the Taylor family, missionaries to the Chinese since the 1800s that this was how life would turn out? I had melded into their ways: of teaching and loving and sharing with the Chinese, of riding bicycles or walking or hiring the jolting horse-drawn carts, of eating with chopsticks and sleeping on a mat atop a large brick bed. China was home, and when the war came, disrupting the lives of the Chinese, splitting apart families, it did the same to the Taylors. I sent frequent letters to Chefoo, telling the children where we were and somehow, miraculously, a few letters came to us from the children: I would take out the children’s letters and reread them until they became frayed at the edges. I agonized over the lack of news. “James,” I would say, “do you think the children are all right? It’s been so long since we’ve heard anything.” With his quiet faith, James reassured me. But I saw the worry in his eyes…..

Hoe ging het verder?

De Chefoo kinderen waren door de langdurige scheiding van hun ouders veranderd.  De ouders èn de kinderen voelden na de hereniging een soort vervreemding van elkaar. Sommige kinderen konden nooit meer aarden in het gezin, omdat ze de belangrijke jaren van hun ontwikkeling niet met hun ouders doorgemaakt hadden. Er waren tijdens hun afwezigheid vaak nieuwe broertjes en zusjes geboren, die hun plaats leken te hebben ingenomen. Bijvoorbeeld Bertie Taylor en een jonger broertje en zusje voor Ray Moore.

Amy, de Australische moeder van Ray Moore, beschrijft het als volgt in een brief aan haar ouders, kort na de bevrijding:

There was Raymond, a big eleven year old, walking up the path. What a reunion after five long years! But where was my little six year old whom I knew so well? I felt as if I had two boys, one I knew and understood and  one whom I knew not at all.

bronnen:

Ray Moore Moondani Kyema  (herinneringen aan zijn jeugd in China) www.kyema-publishing.com

Mary Previte née Taylor:  http://weihsien-paintings.org/ Weihsien Excerpts

foto’s uit Weihsien Excerpts en wikipedia

 

Begraven in China, toen en nu

Vroeger

Uit de inleiding van Hier in het Oosten alles wel

Citaat :De Chinese dowager-empress had het bouwen van spoorwegen in de 19e eeuw lang tegengehouden, omdat deze modernisering in China heel gevoelig lag. De mandarijnen vreesden een volksopstand. De grafheuvels, die kriskras over het hele land verspreid lagen en die heilig en onaantastbaar waren vanwege de voorouderverering door de levenden en de zielenrust van de overleden familieleden, liepen immers door de aanleg van spoorwegen gevaar te worden vernield of ontheiligd. Volgens de feng shui of de geomantiek − de waarzegkunst die van de verschijnselen van de aarde uitgaat − zou de harmonie van de plekken aangetast kunnen worden.

Citaat:  De doden werden begraven buiten de stad op de velden, waar de witte rouwstoeten hen uitgeleide deden. De begrafenissen varieerden van stoeten met heel grote plechtigheden, luide muziek, een rijk uitgedost gevolg en een rijkelijk versierde draagbaar tot kleine stoeten met een kleiner gevolg, maar ook met een draagbaar. Voor alle begrafenissen was de kleur wit. De graven waren kleine met gras begroeide heuveltjes. De doden werden begraven met wat ze in het hiernamaals nodig zouden hebben: eten, geld en kleren. De vindingrijke Chinezen gebruikten tot dit doel papieren versies van het eten en de kleren en voegden nagemaakt geld toe.

Uit Hier in het Oosten alles wel, Shanghai 1919

Citaat :Indrukwekkend waren ook de begrafenisstoeten van welgestelde Chinezen. Frans stuurde er een foto van naar Holland waarop je het grote gevolg ziet, dat overwegend in de witte rouwkleur gekleed gaat. Er gaat een versierde auto vooraf aan de lijkbaar die door in het wit geklede mannen gedragen wordt. De priesters dragen galakleding, brokaten tunieken. Er volgt een grote groep fluitspelers en mensen met handcimbalen. Een groep boeddhistische priesters die in de stoet meeloopt, draagt geen witte kleding, maar zwierige mantels en platte hoeden. 

 

Begrafenisstoet                                                                                            De dragers van de doodskist

 

Priesters in de stoet                                                                                  Priesters in ceremoniële toga’s

Uit Hier in het Oosten alles wel, Tientsin 1933-1943

Citaat: De meisjes ontdekten de kleurrijke hutongs (steegjes), waar het nog bedrijviger was, hoewel ze van hun ouders absoluut niet door een volkswijk naar school mochten fietsen. Je zag daar riksja’s, karren en venters, maar ook open winkeltjes en bijvoorbeeld kappers, die op straat werkten of ‘public writers’, die brieven op bestelling schreven. Karakters op briefjes in een langwerpige envelop. Af en toe zagen ze net als vader Frans in Shanghai een indrukwekkende lange witte begrafenisoptocht, met veel muziek, felgekleurde draken en mensen in mooie witte gewaden. De muziek die de dode uitgeleide deed bestond meestal uit zwaar slagwerk gespeeld door vier percussionisten. Blazers, meestal twee, bespeelden het klagende blaasinstrument de suona. Vuurwerk werd afgestoken om de boze geesten te verdrijven. De geschenken die aan de dode meegegeven zouden worden naar het hiernamaals werden ook meegedragen. Aan de grootte van de processie was te zien of het een het een ‘dure dooie was of niet’. Iedereen liep mee. Men had alles over voor het hiernamaals.

Voorouderverering

De voorouderverering speelt een grote rol bij het begraven van de doden in China. Het is belangrijk er voor te zorgen dat de dode een mooie en eervolle begrafenis krijgt met veel ceremonieel. De geesten van de doden blijven bestaan en moeten zich goed voelen. Als zij het goed hebben, voelen ook de nabestaanden zich goed. Bij de begrafenis werden dus van oudsher bezittingen meegegeven, die de dode in het echte leven ook genoten had. Ook werd er geld meegegeven. De praktische Chinezen vervingen dit in de loop der eeuwen door papieren geld. Dit werd verbrand zodat het meegenomen kon worden naar het hiernamaals. De rijke doden werden begraven met veel en kostbare geschenken en hadden ook een stoet met veel pracht en praal. De armen hadden een soberder uitvaart. Bij de graven werd driemaal per jaar geofferd. De Chinezen hadden ook een altaartje in huis waarop drie maal daags wierookstokjes gebrand werden. Frans de Jongh kreeg in 1919 Chinese les van een Chinese. Hij werd tijdens het Chinese Nieuwjaarsfeest bij haar thuis uitgenodigd. Daar is hij getuige van deze voorouderverering:

Citaat uit Hier in het Oosten alles welHet onderwijzeresje zelf zat er over in dat ze niet mee kon doen aan de offergaven en het wierookbranden voor de voorvaderen en Boeddha, omdat ze dit jaar katholiek was geworden. Ze was half verliefd geworden op een Ier die haar had laten zitten en volgens haar nieuwe geloof mocht ze niet meer meedoen aan die afgoderij. Frans had haar gezegd dat ze best mee mocht doen als ze het juiste gevoel van de herinnering had. Hij vond die verering van de overledenen bij de Chinezen schitterend. Haar vader was anderhalf jaar geleden gestorven en iedere avond werd zijn maaltijd nog neergezet voor zijn portret en de volgende ochtend verbrand. Iedere morgen rolde zij de opiumballetjes voor zijn pijp zoals vroeger. De Chinezen leefden met de overledenen.

Anno 2017

              grafheuvels in China, 21e eeuw     

Ruben Terlou laat in zijn documentaire zien dat heel veel rituelen bewaard zijn gebleven, met name op het platteland waar nog plaats is voor grafheuvels. De kleur van de begrafenis is nog steeds wit. De symbolische papieren geschenken hebben zich aangepast aan de tijd. Nu worden bezittingen als een airco, een auto of een ijskast en zelfs een luxe woning verbrand. De toewijding van de nabestaanden is zeer groot. Er wordt hevig gerouwd en kosten noch moeite worden gespaard. Het vuurwerk knalt nog steeds. Je voelt nog steeds de diepe eeuwenoude eerbied voor de doden. Het platteland van China is nog steeds bezaaid met eeuwenoude en recentere grafheuvels.

Citaat uit de  documentaire van Terlou: Tijdens ons bezoek aan de binnenlanden van China stuiten we op een oud Chinees ritueel: de dodenverering. Er wordt een huis van rietpapier gebouwd, compleet met ramen, torens en een voortuin. Na een gebed worden eerst de torens in brand gestoken en vervolgens het huis zelf en alles wat erbij ligt. Het huis is het symbool van veiligheid, het biedt de overledene een veilig heenkomen. De papieren snippers die om het huis heen liggen, zijn het symbool van geld. De nabestaanden geven de dode voldoende geld mee, om een goed leven na de dood te hebben. Dit alles gaat gepaard met veel knalvuurwerk, waarmee de boze geesten worden verjaagd. Al met al was het een vrij feestelijke gebeurtenis. 

Toch zijn er ingrijpende veranderingen gaande. Er is in de Chinese metropolen geen ruimte voor grafheuvels. Vanwege de grote trek van het platteland naar de grote steden kunnen nabestaanden niet meer drie keer per jaar bij het graf komen offeren. Met een mobiele telefoon en een QR code kun je op afstand offeren. De Chinezen zijn dus nog steeds even vindingrijk als vroeger. In de grote steden wordt de as van de dode in een urn geplaatst en in grote hoge muren (op een begraafplaats) van gepolijst natuursteen bijgezet. Die muren met al die nisjes zien er uit als de gigantische torenflats waarin de moderne Chinezen wonen.

               Grafsteen met QR code

 

Frans de Jongh verschijnt in gedicht #22 van Monniksoog

Een vroege herinnering aan Frans de Jongh

In Monniksoog, overigens een prachtige gedichtenbundel , gekenmerkt door veel verstilde introspectie, voert Cees Nooteboom een reiziger  op,

iemands  vader, naar de Oost, precies in de tijd dat Frans de Jongh op de Java-China-Japan lijn naar China voer. Dit prachtige beeld wil ik U

niet onthouden.

                   Monniksoog

 Gedicht #22

Bedenk een verleden, wees niet zuinig

met oorlog of ontrouw. Je vader op het dek

van een schip, jong, trenchcoat, souspieds,

stomme film zonder titel,

 

man op weg naar de Oost, een of ander

negentientwintig, het schip zonder naam

en niets meer te vragen. Voor de herinnering

van doden is er geen code,

 

daar woont niemand. Lege kasten, het lege

huis van een naam, ik kijk naar de man

op het dek, hoort hij de zee, hoort hij de zee

zoals ik hier? Een oude man die hij nooit

 

heeft gezien?

 

 

uit Monniksoog, 2016 © Cees Nooteboom en uitgeverij Karaat

isbn: 978907977031

De handel tussen China en de westerse mogendheden in de 20e en 21e eeuw

markt in Hong Kong, 1924

De verhoudingen zijn veranderd

In de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw domineerde het Westen China volledig in economisch opzicht. De Chinezen werden gedwongen eenzijdige economische afspraken te accepteren. Middels de door oorlogen verkregen extraterritoriale rechten konden de expatriates en een aantal Chinese tussenpersonen, de compradores, zich steeds meer verrijken. China zelf werd alsmaar armer en raakte economisch uitgeput. Het Westen investeerde in China in de industrie, de handel en de infrastructuur. Hoewel sommige Chinezen van de handel profiteerden wantrouwden zij vooral de westerlingen en terecht.

Nu aan het begin van de 21e eeuw is China de dominante partij. Er vindt een ware investeringsgolf plaats vanuit China. Tusssen 2010 en 2016  groeiden de buitenlandse Chinese investeringen van 265 naar 1072 miljard euro. In het jaar 2016 schoten de buitenlandse Chinese investeringen  met 30 % omhoog. Zo investeert China in de auto- industrie (Volvo), ICT-bedrijven  en de luchtvaart. De Chinese regering moedigt deze investeringen, die zij strategisch acht, aan.

Frans- Paul van der Putten, China expert bij Clingendael

Zijderoute

China werkt aan een nieuwe zijderoute, waarin alle wegen naar China leiden. In Europa is men bezorgd over de Chinese assertiviteit. Er is tevens een groeiend wantrouwen waar te nemen in De VS ten opzicht van Chinese investeringen. De grote Chinese onlinestore, Alibaba, krijgt daar geen toestemming het Amerikaanse Moneygram over te nemen. De rollen zijn na een eeuw volledig omgedraaid. Ook wordt de Chinese telecommunicatiegigant Huawei met argwaan bekeken in Amerika.

Afbeeldingsresultaat voor huawei logo Alibaba logo

Bron: NRC-Handelsblad 29 december en 5 januari. Frans-Paul van der Putten wordt in beide artikelen geciteerd.

Lezing bij boekenparadijs Jansen & De Feijter in Velp

 

 

Jansen & De Feijter

Mijn boek en andere geschiedenisboeken in de etalage tijdens de week van de geschiedenis

Op 10 oktober j.l. mocht ik een lezing houden in boekhandel Jansen & De Feijter. Het is een heerlijke plaats om boeken uit te zoeken, boekliefhebbers te ontmoeten of een lezing te houden over je boek. De drempel is laag en veel schrijvers (ook landelijk bekende) weten hun weg te vinden naar deze inspirerende plek. Als je er binnen komt voel je dezelfde opwinding als toen je zelf net kon lezen en boeken mocht uitzoeken in de bibliotheek. De winkel voelt aan als een huiskamer. Ik krijg er het huiselijke veilige gevoel dat ik als kind beleefde toen mijn moeder ons voorlas bij de haard uit Jules Verne en Hector Malot. Niet voor niets werd Jansen & De Feijter kort na haar ontstaan  uitgeroepen tot boekhandel van het jaar 2014.

Tièn Tièn, 10 oktober was een speciale feestdag in de tijd van de Republiek China 1912-1949  Op die dag werd de val van het keizerrrijk (de Qing dynastie met de beruchte keizerin Cixi) gevierd. Deze feestdag werd in de tijd van Mao afgeschaft, maar wordt nog steeds gevierd in Taiwan. Mooie symbolische datum voor mijn lezing.

De boekhandel beschikt over een heel groot scherm dat uit het plafond naar beneden gerold wordt en perfecte geluidsapparatuur. Verrijdbare tafels met boeken maken plaats voor gerieflijke uitklapbare stoeltjes. Er is een café-lunchroom waar men elkaar ontmoet tijdens de pauze en na afloop.

Mijn publiek (rond de 30 bezoekers) was geïnteresseerd en luisterde aandachtig. Het was fijn dat de prachtige foto’s uit het De Jongh archief zo mooi uitkwamen op het grote doek. Het Youtube (British Pathé) filmpje over de overstroming van Tientsin kon mooi worden vergroot en versterkt. Een aantal toehoorders had het boek al gelezen. Voor anderen was het onderwerp nieuw. Uit de reacties bleek dat ze verrast waren toen ze hoorden wat er in China gebeurd was in de tijd 1912-1949. Met name het bestaan van Chinese jappenkampen was geheel nieuw, maar ook de beschrijving van het vooruitstrevende en kosmopolitische Shanghai uit die tijd was een verrassing voor sommigen. Er kwamen ook vragen van mensen die zelf (of hun ouders) in Indische jappenkampen gezeten hadden. Het was interessant om de Indische kampen te vergelijken met de Chinese, vanwege de verschillen.

 

het British Pathé filmpje van mijn Powerpointpresentatie

Missionarissen in Noord-China

Gerelateerde afbeelding

Matteo Ricci met Xu Guangqi

De jezuïeten aan het Ming hof

Al eeuwenlang vertrokken zendelingen en met name katholieke kloosterlingen naar het Verre Oosten. Ze vonden daar een immens keizerrijk, waar ze hoopten miljoenen zielen te kunnen winnen voor het geloof. Al in de 16e eeuw probeerden de jezuïeten invloed te krijgen aan het keizerlijke Ming hof en met succes.  Ze werden vooral gerespecteerd vanwege hun geleerden. Zo konden ze bijvoorbeeld op sterrenkundig gebied voorspellingen doen en berekeningen maken die klopten. De jezuïeten pasten ook hun gewoontes aan. Ze beoogden een sino-christelijke beschaving, die de leer van het christendom verenigde met het taoïsme en boeddhisme van de gewone Chinezen en het confucianisme van de Chinese aristocratie. Een aantal jezuïeten ging daar vrij ver in. Ze droegen zelfs Chinese mantels en een Chinees hoofdkapje. Later richtten zij zich meer op de gewone massa. Uiteindelijk riep Rome tijdens de Ritenstrijd de jezuïeten terug naar Europa. De kerk verzette zich namelijk sterk tegen de denkbeelden over assimilatie van de jezuïeten die in China missioneerden.

De missionarissen van de 19e eeuw

In de 19e eeuw werden er verschillende ordes opgericht met het doel zoveel mogelijk mensen in China te gaan bekeren, ondanks het feit dat de Chinezen te kennen gaven hun confucianistische leer en hun voorouderverering niet te willen opgeven. Zo werden de missionarissen herhaaldelijk het mikpunt van vreemdelingenhaat. Hun activiteiten werden vaak voor langere tijd verboden en de paters werden ook regelmatig met de dood bedreigd. Na de tweede opiumoorlog stond de verzwakte Chinese regering de missie weer toe. De Frans-Nederlandse (lazaristen) en Belgisch-Nederlandse (scheutisten) ordes kregen een uitgebreid missiegebied in Mongolië en ten noorden van de Chinese muur. De Nederlandse franciscanen vestigden zich in de provincie Shansi, ten zuidwesten van Peking. De pioniers van de missie hadden een haast onmogelijke taak. Hun gebied was te groot, ze hadden te weinig geld, het platteland was zo onveilig dat zij zich veelal moesten bewapenen en van hun missiepost een met aarden muren versterkte vesting moesten maken om te kunnen overleven. Ze werden van tijd tot tijd bedreigd door roversbendes, zeer gewelddadige moslimstammen (in West-Mongolië) of bijgelovige Chinezen die de missionarissen aanvielen omdat ze hen verdachten van rituele moorden. (Wat de laatste groep betreft : missieposten vingen een groot aantal ongewenste baby’s, voornamelijk meisjes op, die op straat gevonden werden. Ze werden vervolgens op de missie gedoopt met wijwater, dat over de hoofdjes werd gegoten. Argwanende Chinezen verspreidden hierover het gerucht dat de missionarissen de ogen van de kinderen gebruikten voor bepaalde rituelen of geneesmiddelen). De missionarissen verwelkomden de vaak stervende babies en ook volwassenen op hun missiepost, want dan konden ze hen nog net dopen en hadden ze weer een aantal gelovige zielen aan het eeuwige koninkrijk toegevoegd. Op het immense platteland van Noord-China braken vaak opstanden uit vanwege de ernstige hongersnoden die China regelmatig teisterden. De honger ontstond vanwege de langdurige periodes van extreme droogte of door de grote overstromingen van de Gele rivier. De uitgehongerde mensen kwamen dan ook in opstand tegen de missionarissen. Er was weinig bescherming van de Chinese autoriteiten te verwachten. Peking was ver en het keizerlijk gezag reikte niet ver genoeg. Sommige mandarijnen gaven wel enige bescherming, maar een aantal gouverneurs nam zelf het heft in handen (krijgsheren).

De Bokseropstand

Het bleek extreem moeilijk om de Chinezen te bekeren. Het lukte wel om ze over te halen wanneer de missionarissen voedsel en stukjes te bewerken land uitdeelden. Het behandelen van zieken en uitdelen van medicijnen leverde na enige tijd ook bekeringen op. In de begintijd hadden de paters niet genoeg geld om de bijstand aan de arme Chinezen te betalen. Later werd veel geld opgehaald via de Heilige Kindsheid, de stichting die maandelijks geld ophaalde bij de kinderen in  West-Europa. Sommige missionarissen waren oprecht filantropisch, maar er waren ook paters die op macht uit waren en die zich gedroegen als ware krijgsheren. Ze drongen het geloof soms met geweld aan de Chinezen op. De Bokseropstand in 1900, die zich van Tientsin naar Mongolië uitgebreid had, was gericht tegen de vreemdelingen en was aangewakkerd door keizerin-regentes Cixi.  De Boksers vermoordden  een groot aantal missionarissen. Een van hen, de heldhaftige scheutist mrg. Hamer, vluchtte niet en bleef op zijn post. Hij stierf een gruwelijke marteldood, na dagenlang gemarteld te zijn. Hij is echter nooit heilig verklaard.

De grootouders van onze vriend Hans Ponten, het echtpaar Franken-Heideman vierden hun koperen bruiloft in mei 1908 in hun vakantiehuis in Zandvoort . Ze deden dat met vrijwel het hele gezelschap verkleed als Chinezen. Het kleinste mensje eerste rij in het midden is zijn moeder. Zij was toen nog geen 1 jaar oud. Zijn grootouders gaven regelmatig geld aan missionarissen in China, Zij hadden bovendien een groot aantal Chinese borden en meubels als dank gekregen. Overigens is niemand van zijn voorouders ooit in China geweest. Hans begreep dat de borden en meubels vaak tijdens de zeereis terug gebruikt werden als ballast
Propagandafimpje van de Heilige Kindsheid

Yung-Ping-Fu

Frans de Jongh was zeer geïnteresseerd in het werk en het leven van de Nederlandse missionarissen. Hij reisde van tijd tot tijd naar de Nederlandse missionarissen van de orde der lazaristen, in het zeer afgelegen klooster bij de eeuwenoude stad Yung-Ping-Fu, die gebouwd was ten tijde van de Ming dynastie, in de buurt van de Grote Muur. De stad lag honderd kilometer ten noordoosten van Tientsin, niet ver van Qinhuangtao in de noordoostelijke provincie Hopei. Ze heet tegenwoordig Tangshan en ligt bij Lulong. Het was een groot klooster met veel paters, waaronder bisschop Geurts, bisschop Lebouille, die Geurts opvolgde, en pater Verhoeven, die later in Weihsien zulke mooie tekeningen zou maken. Frans ging er een keer in de twee, drie jaar heen. Het was veel te gevaarlijk om daar met de auto heen te gaan, gezien de grote bereden bendes met struikrovers en de ontvoeringen, dus reisde hij met trein en paard en wagen. Frans nam altijd jenever voor de paters mee en Hulstkamp brandewijn. Geen wonder dat hij daar goed onthaald werd.  Ook na 1932, toen hij met zijn gezin in Tientsin woonde ging hij er op gezette tijden heen en de paters kwamen ook regelmatig bij de De Jonghs in Tientsin logeren

 

 

Yung-Ping-Fu vooraan v.l.n.r.  de bisschoppen  mgr. Geurts en mgr Lebouille

 

De Pekingcart waarmee Frans het laatste stuk naar Yung-Ping-Fu reisde

De moord op mgr Schraven, lazarist

Het leven van missionarissen werd in de jaren 30 steeds gevaarlijker. Zhengding, een stad waar zich een ander vicariaat van de lazaristen bevond, ook in de provincie Hopei, werd in 1937 door de Japanners ingenomen. Negen lazaristen, waaronder mgr. Frans Hubert Schraven werden daar op 9 oktober 1937 vermoord. Bisschop Schraven en de andere missionarissen beschermden honderden vrouwen en meisjes die asiel hadden gezocht in de kathedraal, op de vlucht voor de binnendringende Japanse militairen, die eisten dat de priesters de meisjes uitleverden ‘als troostmeisjes’. In de veronderstelling dat zij veilig zouden zijn in de kerk, hadden de vrouwen daar hun toevlucht gezocht. In het middeleeuwse Europa hadden roversbenden zulke heiligdommen altijd ontzien. Na geweigerd te hebben het bevel op te volgen werden Schraven en acht anderen geblinddoekt afgevoerd, met bajonetten doodgestoken en verbrand op een brandstapel een paar honderd meter verderop. Er bestaat ook een andere lezing van dit verhaal. Het zou niet gaan om Japanners en troostmeisjes, maar om een Chinese militie die haat koesterde ten opzichte van de missionarissen. De vrouwen zijn immers na de moord op Schraven en zijn medebroeders ongedeerd gebleven. De lazaristen blijven vooralsnog bij de lezing, waarin sprake is van troostmeisjes. De orde beijvert zich nog steeds voor de heiligverklaring van de bisschop.

mgr. Schraven

Internering van de missionarissen in Weihsien, het jappenkamp in Shantung.

Alle missionarissen van heel Noord-China werden uiteindelijk in 1943  geïnterneerd in Weihsien, ook de nonnen die veelal in de steden werkten. De missionarissen waren allen onmisbaar tijdens het schoonmaken en inrichten van het kamp. Ze zorgden ook voor afleiding door muziek- toneel- en cabaretavonden te organiseren. De meeste missionarissen en vooral die uit Mongolië waren enorm gehard en zelfredzaam. Jan de Bakker, lazarist uit Yung-Ping-Fu schreef over hen.  Het mooiste volgde 2 dagen later. Belgen, scheutisten van Mongolië, die stoer met het kruis op de borst het kamp komen binnensjouwen. De hengsten van Mongolië. Een andere missionaris pater, H. Botermans schrijft: Ik geloof dat we nu allen van Noord-China kennen. Wat zijn er een prachtkerels bij! Die van Mongolië waren zo ruw als basten van eikenbomen. Hun broek, hun jas, allemaal van beestenvellen met de haren erop. En allemaal zo blij! Echte soldaten, waarvan er één op zijn minst een heel leger van de wereld waard is. De zusters hebben gewerkt als echte heldinnen. De leken stonden er verbaasd van dat die zwakke nonnekes zwaarder werk deden en langer werkten dan zijzelf……In het begin waren veel protestanten ons vreemd. Maar dat duurde niet lang, we werden weldra vrienden. In Weihsien moesten we 5 uur per dag werken, doch na 3 dagen één dag vrij. Toen we weggingen naar Peking, ging practisch de helft van de werkkrachten (vooral voor het zwaren en vuilen werk)…. Sindsdien moesten leken 8 uur per dag werken en hadden geen vrije dagen meer.

De missionarissen voelden zich uiterst nuttig in het kamp. De priesters kwamen echter na lange jaren op het geïsoleerde platteland ineens in aanraking met jonge vrouwen en meisjes. Er ontstonden verliefdheden tussen de jongere paters en een aantal meisjes. Mede om die reden werd er vanuit het Vaticaan bij de Japanners bepleit dat de priesters geen geallieerde burgers waren, maar onderdanen van Vaticaanstad. Na drie maanden werden ze vrijgelaten en naar kloosters in o.a. Peking gebracht, dit tot groot verdriet van de geïnterneerden en de missionarissen zelf. Een van de geïnterneerden schreef :”We were all heartbroken.” Een kleine groep bleef in het kamp om voor het zieleheil van de kampbewoners te zorgen.

Na de Tweede Wereldoorlog

Toen de communisten in 1949 aan de macht kwamen waren de missionarissen niet meer welkom. Ze werden meteen en met harde hand op transport gesteld. Een enkeling slaagde er in lang onopgemerkt te overleven in China. Dat was onder anderen Quintus Pessers. Hij werd volgens de berichten, die de Nederlandse Ambassade een paar jaar na de oorlog ontving, in 1947 gestenigd en onthoofd met een tiental andere christenen. In de tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog werden missionarissen en andere christenen beschuldigd van spionage, wapenopslag en imperialisme. In 1950 bleek echter dat mgr. Pessers het bloedbad overleefd had, toen hij zelf vanuit Yungcheng contact opnam met de Nederlandse ambassade. Hij was wel gemarteld maar niet gestenigd. Hoewel het interieur van de kathedraal gesloopt was bleef hij op zijn post en weigerde hij China te verlaten. Hij hield zichzelf zolang in leven met een groentetuintje. In 1954 werd hij door drie gewapende politiemensen gedwongen Yungcheng te verlaten en naar Hong Kong te vertrekken. Hij leefde na terugkeer nog in Nederland tot in de jaren negentig.