Mieke Melief
Author Archives: Mieke Melief

De bevrijding van het jappenkamp Weihsien op 17 augustus 1945, 72 jaar geleden, in Noord-China

Anneke de Jongh met haar broertje Frans, 2e en 3e van links

Civilian Assembly Center Weihsien, een verborgen jappenkamp

Het jappenkamp werd door de Japanners een civilian assembly center genoemd, een eufemistische term voor jappenkamp. De Amerikaanse bevrijders wisten gedurende de internering lange tijd niet dat er in Weihsien een jappenkamp ingericht was. Hier waren ongeveer tweeduizend  Amerikaanse en Europese burgers geïnterneerd.  Zij waren allen in 1943 gedeporteerd uit de Noord-Chinese steden. Ondanks de vele ontberingen – er was gebrek aan eten, medicijnen, geschikte kleding, de geïnterneerden leefden in angst, niemand wist wat hen boven het hoofd hing – was er opvallend veel solidariteit en werkten de inwoners goed samen. Ze mochten het kamp zelf inrichten. Twee gevangenen wisten in juni 1944 te ontsnappen. Zij bereikten na vele omzwervingen de stad Chungking, het hoofdkwartier van Chiang Kai-shek de leider van de Nationalisten. In Chungking waren ook Amerikanen gelegerd. In Chungking en ook Kunming werd door de Amerikanen de bevrijding voorbereid van de door de Japanners bezette gebieden.  Ze wisten echter niet waar het kamp zich precies bevond. Het plan voor de bevrijding heette Duck Mission

Colonel Jimbo

De bevrijding op 17 augustus 1945                                                                                                              pp343- 345 van Hier in het Oosten alles wel

Eind 1944 werd de Japanse situatie onhoudbaar. Niemand geloofde meer in een Japanse overwinning. Ondertussen waren de geïnterneerden in alle kampen sterk verzwakt door ondervoeding. In de lente en tegen de zomer van 1945 hadden ze een onwerkelijk gevoel, alsof ze in een soort vacuüm zaten. De bewakers waren steeds vaker dronken. De saturday night dances werden nu in de openlucht gehouden omdat het lekker warm was. In juli begon de stemming onder de kampbewoners erg veranderlijk te worden en wisselde van luchtig en vrolijk tot paniekerig en down. Volgens Bobby Simmons werd het dansen onstuimiger, de muziek wilder. Maar de voedselrantsoenen werden kleiner. Iedereen had honger. De bewakers letten niet meer op. China buiten de poorten van Weihsien was één grote chaos. Overal zwierven guerrillastrijders rond. Op 15 augustus verspreidde het gerucht zich in het kamp dat de oorlog voorbij was. Inderdaad sprak Hirohito op die dag over de radio de voorwaarden uit van de Potsdam Proclamatie. De Zwitserse consul-generaal stuurde kort daarna een bericht naar de Japanners met het bevel dat alle geïnterneerden in de kampen moesten blijven en geduldig moesten wachten tot de kampleiding de nodige formaliteiten had afgehandeld  met betrekking tot hun ontslag uit de kampen. Om 12 uur ’s middags diezelfde dag zouden de Japanners geen zeggenschap meer hebben over Weihsien, maar noch de Zwitserse, noch de Japanse consul-generaal konden onderdak en voeding van de geïnterneerden buiten het kamp garanderen. De situatie veranderde dus niet meteen. De geruchten dat de oorlog ten einde was werden in het kamp door de Japanners noch ontkend noch bevestigd.

Ondertussen had de U.S. Army Colonel Richard P. Heppner, die de leiding had van alle under cover operations vanuit Kunming in het zuidwesten van China, waar hij gestationeerd was, OSS personeel intensief getraind en uitgerust voor de key areas. Het U.S. team dat Weihsien zou gaan bevrijden onder de leiding van Majoor Stanley A. Staiger opereerde onder de naam The Armored Angel. Verschillende oud Weihsienners, getuige hun verslagen op de Weihsien Painting site meenden dat ook de B-24 waarmee ze vlogen The Armored Angel heette, wat niet het geval was. De bevrijdingsmissie droeg de naam Duck Mission. Een afbeelding van het rapport van deze missie staat in zijn geheel op de Weihsien Paintings Website. Donkerbruine getypte letters op vergeeld papier. Het team van de Angels bestond uit soldaten van verschillende rangen, een Japans-Amerikaanse tolk Sgt. Tadashi T. Nagaki, een Chinese tolk Eddie Wang, enkele technici en een miltaire verpleger. De soldaten die op 17 augustus 1945 naar Weihsien onderweg waren met hun B-24 konden het kamp eerst niet vinden. Ze hadden het wel op de kaart gezien. Ze daalden tot honderdvijftig meter hoogte en zagen toen een kamp met honderden mensen, die naar het vliegtuig wuifden. Ze wisten echter niet zeker of het een civiel of militair kamp was. Daarom verstopten ze, na gesprongen te zijn, hun parachutes en hielden ze zich nog even schuil. Ze kropen naderbij, zagen toen blanke vrouwenbenen en wisten toen dat ze het goede kamp hadden gevonden.

De mensen in het kamp hadden het geluid van een vliegtuig gehoord en hadden al aan het geluid gehoord dat het geen Japans vliegtuig was. Het klonk anders dan het vreemde zachte gesnor en het geratel van de Japanse bommenwerpers, de Zero’s en de Judy’s. De opwinding binnen de muren steeg ten top, want de geruchtenstroom over een eventuele Japanse capitulatie was de dagen ervoor steeds sterker geworden. Het was een geruststellend gebrom. Het vliegtuig gooide bruine dingen naar beneden, niet in het kamp, maar op een veld iets verderop, want de bevrijders wisten niet zeker of ze wel op de juiste plek aangekomen waren. Het waren in werkelijkheid parachutisten, die aan witte parachutes hingen.  De gevangenen stormden als één grote massa naar de poorten. De Japanse oorlogskreet “Banzai”, steeg op uit alle kelen.  Er was geen houden meer aan. De Japanners keken machteloos toe. Ze waren zo overrompeld dat ze geen gevecht meer begonnen. De menigte rende door de poorten het kamp uit, de veldweg op. Slechts enkelen stopten eventjes om doornen of kiezelsteentjes van hun voeten te verwijderen en werden bijna onder de voet gelopen.  Bobby Simmons beschrijft het overweldigende gevoel van vrijheid. Iedereen stortte zich in het mooie Chinese platteland, met wilgen die over riviertjes hingen en kindertjes die met bamboestokken in het water speelden. Uitzinning van vreugde omhelsden en kusten ze de zeven soldaten, schudden hun handen, hesen hen op de schouders. Ook Anneke en haar vader waren de poort uitgestroomd nadat de Amerikanen waren gedropt en de heerlijke sensatie van het bevrijd zijn en het ongehinderd kunnen lopen buiten de muren, kan zij zich noch herinneren als de dag van gisteren. Het was vreemd om het kamp nu van buitenaf te zien met zijn prikkeldraad, zijn grijze muren en lelijke wachttorens. Het feit dat de kampbewoners het gezag van de Japanners compleet negeerden maakte de kampleiding zo onzeker dat ze het plan om weerstand te bieden aan de Duck Mission vrijwel meteen liet varen.De verbouwereerde Japanse bewakers salueerden de Amerikanen aarzelend. De parachutisten kwamen uit Kunming, waar ze al langer een basis hadden en waar ze de bevrijding voorbereid hadden. De Amerikanen waren bang dat mensen in de drukte geraakt konden worden door de kisten en dozen die uit het vliegtuig gedropt werden. Helaas werd toch één persoon geraakt, een Chinees jongetje dat niet in het kamp woonde maar stond toe te kijken. Hoe tragisch ook, zijn lot kon de uitzinnige feestvreugde niet temperen. Er is een sepiakleurige foto van Anneke, die een paar dagen later, met een liefdevolle arm om broertje Frans heen, over de kampmuur de activiteiten van de bevrijders en de bevoorrading van het kamp gadeslaat. Over de muur hangt een Amerikaanse vlag, die een oude geïnterneerde dame − Miss Blodgett − al die tijd in haar kamer verstopt had en nu in allerijl opgediept had. De foto is gemaakt door William Smith, een intelligence officer, die met het OSS team meegekomen was. Hij maakte een aantal foto’s − de enige foto’s, die van het kamp gemaakt zijn −  en een aantal zwart-wit tekeningen. Op Annekes vermagerde ernstige gezichtje staan de zware kampjaren te lezen. Ondertussen speelde de Salvation Army Band: Happy Days Are Here Again en God Bless America. Ondanks de euforie van hun bevrijding waren de De Jonghs toch allemaal diep geschokt toen ze enige tijd later het nieuws hoorden over het einde van de oorlog met Japan, na de vreselijke verwoesting door de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

 

 

Japanse bewakers

De moord op Pamela Werner in 1937, twee ‘whodunnits’

Life and death in Old Peking, the Murder of Pamela Werner

Via de Weihsien groep (de online contactgroep van de oud-geïnterneerden van dat jappenkamp) hoorde ik dat zojuist een nieuw boek is verschenen met als onderwerp een cold case van een moord op een 17 jarig meisje, Pamela Werner, in 1937 in Peking. De moord vond plaats aan de vooravond van de Japanse bezetting. Peking was toen een nerveuze stad. Het boek heet Life & Death in Old Peking van G.D. Sheppard. Al eerder verscheen Midnight in Peking van Paul French over dezelfde zaak. Overigens kun je vandaag de dag een Midnight in Peking tour volgen. De tour laat een aantal plekken zien die een rol speelden bij de moord en is te vinden op Google.

Hoewel Paul French een aantal verdachten opvoert en een spannende reconstructie voorstelt van wat er gebeurd is, gaat Sheppard een flinke stap verder. Hij voert een aantal verdachten op, deels dezelfde mensen als French en trekt de biografieën van al deze voornamelijk westerse expats uitvoerig na. Op deze wijze schetst hij een prachtig beeld van de sociale en politieke structuren in het Peking vooral van de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw: de verschillende werkgebieden, de Legation en het Legation kwartier, de Customs, de handel, de legereenheden, de verhoudingen tussen de Nationalisten en de buitenlanders, de opkomende Communisten. Aangezien hij van alle hoofdrolspelers een uitvoerig portret maakt en ook vertelt hoe het hen vergaat zowel voor, in als na de oorlog is het een prachtige studie over het Peking van de Republiek China geworden. Hij levert geen sluitend bewijs voor de oplossing van de moord, maar zijn conclusie is zeer aannemelijk op grond van al zijn onderzoek. (Overigens had Paul French een andere, minder aannemelijke conclusie) Het is een spannende whodunnit, maar tevens een interessant stuk geschiedenis.

Peking was een smeltkroes van nationaliteiten in de jaren 20 en 30 van de twintigste eeuw. Na de val van het keizerrijk  rond 1912 bleven de meeste buitenlanders in de stad wonen. De stad was aantrekkelijk en bood heel veel vrijheid.  Er woonden Chinezen, Japanners, Russen (veelal stateloze vluchtelingen) Europeanen en Amerikanen. Het gezag was in handen van wisselende krijgsheren. Er was een bruisend nachtleven en er was een levendige handel in opium en heroïne. Kunstenaars en journalisten voelden zich heel senang in de stad en de diplomaten woonden er in het veilige Legatiekwartier. Mabel Cabot schrijft over het Peking van 1921: ‘Het was een melting pot van contrasten en tegenstellingen: opium kits lagen naast het splinternieuwe Rockefeller hospital. Westerse liefdadigheidsinstellingen bestonden naast zware corruptie op alle niveaus. Schoonheid, sprookjesachtigheid en geheimzinnigheid naast armoede, honger en ziekte. Keizerlijke grandeur naast een drukke opkomende industriestad. Peking was nauwelijks veranderd sinds de Middeleeuwen, toen het hoofdstad werd. De oude stad was groots ontworpen, met muren eromheen en indrukwekkende poorten, de pracht van de pleinen van het paleis en de levendige kleuren van de keizerlijke daken. Het was al eeuwen een mysterieuze plek gebleven van gesloten hekken en muren, die de toegang versperden. Hoe mooier een huis van een rijke man was, hoe zorgvuldiger het verborgen werd. Zelfs als de hoofdpoorten opengegooid werden, werd het zicht op de tuin aan het oog onttrokken door een spirit screen, dat de privacy waarborgde tegen boze geesten. Ondanks de chaos bleef China het Westen fascineren en trok als een magneet ondernemers, intellectuelen als  Malraux, Maurois en Russell en avonturiers aan van overzee.’

In 1937 werd Peking opgeschrikt door de brute moord op de 17 jarige Pamela Werner. Ze was net voor de kerstvakantie overgekomen uit het naburige Tientsin om kerst te vieren met haar vader. In Tientsin, dat aan de kust lag ten zuidoosten van Peking en in een paar uur met de trein te bereiken was, woonde ze  bij een gastfamilie  en was een leerling aan de Tientsin Grammar School. Deze moord is officieel nooit opgelost, tot groot verdriet van haar oude vader. Sheppard probeert in zijn recent verschenen boek een redelijke reconstructie te maken van wat er gebeurd is.

Midnight in Peking, the Murder That Haunted the Last Days of Old China

Lezing bij de Probusgroep in Sassenheim

Een bijzondere plek

Op 8 maart kwam de Probusgroep van Sassenheim bijeen in een zaaltje van de Sint Pancratiuskerk voor mijn lezing over Hier in het Oosten alles wel. Een bijzondere plek omdat in deze grote kerk die Sassenheim overvleugelt en bijna tot aan de wolken reikt, mijn schoonouders hun huwelijk lieten inzegenen in de jaren 30 van de 20e eeuw.

Brede kennis en interesse

Het was een mooie ervaring om over mijn boek te spreken voor een groep vrouwen van mijn eigen leeftijd, die eenmaal in de drie weken bij elkaar komen voor lezingen over allerlei maatschappelijke en culturele onderwerpen. Hun brede kennis en interesse was voelbaar in hun aandacht en hun vragen. Het verhaal van de familie De Jongh leeft zo voort.

 

Mongoolse paarden in Shanghai

 

Shaking up the liver

In Shanghai werd meer paard gereden dan in het zuiden in bijvoorbeeld Kanton of Macao. ‘Men dacht dat paardrijden gezond was “to shake up the liver” . De Yang-tse was de zuidelijkste afbakening van het gebied waar in paarden gehandeld werd door de Mongoolse paardenhandelaars, die hun honderden mottige en rafelige wilde paarden naar de jaarlijkse paardenmarkten brachten. De paardjes waren klein en leken eerder op grote honden, maar ze waren niet duur en het onderhoud viel ook mee. Het was moeilijk ze te beoordelen, omdat ze onzichtbaar waren onder een dikke harige vacht. Na een trimbeurt in maart zag je pas hun sierlijke benen, sterke ruggen en korte nekken. Na de aankoop werd het één constant gevecht, waarbij de nieuwe eigenaren veel blauwe plekken en beten opliepen. Zo had Frans een woest, bijtend paard dat Jimmy Gold heette. Hij probeerde het dan ook zo snel mogelijk voor een goede prijs te verkopen  Het was ook moeilijk om hun snelheid te beheersen, want het bit bleef vaak vastzitten achter hun tanden. Als de paarden ingereden waren deden de eigenaren mee aan de races in de lente en de herfst en werd er verwoed gewed.

The Lighthorse Brigade

De jonge buitenlandse mannen in Shanghai in de jaren 1920-1940 reden paard als vrijetijdsbesteding. Maar ze  stonden ook vroeg op om te trainen voor de races of voor de Lighthorse Brigade. De handelssteden in China werden onder andere verdedigd door dit soort vrijwillige brigades. Het Chinese achterland om de steden heen was niet veilig en er waren van tijd tot tijd heftige uitbraken van vreemdelingenhaat. Vroeg opstaan en paardrijden betekende vroeg naar bed gaan. De jonge mannen boden zo weerstand aan de verleiding ’s avonds de stad in te gaan met alle verlokkingen van dien. Sporten als tennis, cricket en snelwandelen waren om die reden ook zeer geliefd.

 

Light Horse Eastern Trainig camp 1922                                                                           Frans op Jimmy Gold

 

De compradores en de verdragshavens

Fingerspitzengefühl

Hierboven een foto (in twee delen) van een compradore (Portugees voor inkoper) d.w.z. een handelsagent of merchant. Deze agenten of tussenpersonen speelden een cruciale rol in de handel tussen de Chinezen en de westerlingen, in de periode vanaf het midden van de negentiende eeuw tot 1949. Hoewel grote verdragshavens als Hong Kong, Shanghai en Tientsin een open door policy hanteerden, hetgeen betekende dat de handel vrij was, waren deze Chinese tussenpersonen onontbeerlijk. Zij wisten precies hoe je een goede deal kon sluiten. Ze wisten precies wie betrouwbaar was,  welke egards je in acht moest nemen, kenden de Chinese systemen van maten en gewichten en stonden bovendien garant voor de betalingen en het vervoer van de goederen. Ze vroegen een commissie op alle transacties en werden zo puissant rijk. Vaak waren bedrijven joint ventures van Chinezen en westerlingen. De  buitenlandse taipans konden niets beginnen zonder het Fingerspitzengefühl van de compradores.

Eindeloos geduld

Anneke herinnert zich nog van de tijd in Tientsin, dat handelen een speciale mentaliteit vergde. Vader Frans had ook een compradore. Als je wist dat er een partij te koop was moest je psychologisch en tactisch bieden, loven, een bod aannemen of verstoten, of een nieuwe bid doen. De Chinese partij vroeg soms belachelijk veel. Sommige handelspartners lieten haar vader eindeloos wachten. Talenten als diplomatie en hoffelijkheid waren onontbeerlijk. Je moest vooral gezichtsverlies bij de Chinezen voorkomen. Anderzijds moest je je ook niet laten beetnemen, want de Chinese handelspartners waren zeer gewiekst. Annekes vader voelde dat goed aan en wist scherp te onderhandelen. Hij wist ook dat er over de Hollanders gezegd werd in China: “In matters of commerce the fault of the Dutch is giving too little and asking too much.” Anneke mocht haar vader vaak helpen met het decoderen van de telegrammen, want alle transacties gingen per telegram.

Op bezoek bij de compradore

Op  feestdagen als bijvoorbeeld Chinees Nieuwjaar ging het hele gezin de Jongh op officieel bezoek bij de compradore. Frans ontving dan kostbare geschenken. Zijn compradore had twee vrouwen. De eerste vrouw had representatieve taken en nam de honneurs waar. Ergens anders in huis woonde het concubineliefje. De Europese kinderen vonden het verwarrend om goed om te gaan met beide vrouwen.

Holland-China Trading Company (HCHC), which had offices in Hong Kong, Shanghai, Tianjin (Tientsin), Rotterdam and London. Compradors were important to do busininess in China. This photo is a portrait of one of them, Mr Tong Lai Chuen J.P. ( a.k.a. Tong Yuk, a.k.a. Tong Lai-ts’un). It was found in the archives of one of HCHC’s first directors, Willem Kien.
Bron Flickr: Charles in Shanghai, Courtesy Kien Archives

Terug naar China, eind 1939, met de Conte Biancamano van Genua naar Shanghai

Bij het zwembad

Oorlogsdreiging

In Europa nam eind 1939 de dreiging van een oorlog nog steeds toe, dus wilde Frans zo snel mogelijk terug naar China, zolang het nog mogelijk was. Hij kon overigens op dat moment niet vermoeden dat hij na zijn vertrek naar China zijn Hollandse familie jarenlang niet meer zou terugzien, hoewel hij wel merkte dat het nu al moeilijker werd om een grote zeereis te boeken.

De luxe S.S.Biancamano van de Lloyd Triestinolijn

Ze gingen ditmaal met een oceaanstomer van de Italiaanse lijndienst, de Lloyd Triestinolijn, de S.S. Conte Biancamano. De reis duurde van 23 november tot 22 december 1939. Het vertrekpunt was Genua, waar Frans en zijn gezin door een verduisterd Duitsland heen reisden. Duitsland was al sinds augustus in oorlog met Engeland, dus daar gold al spertijd. De treinreis door dat donkere Duitsland was zeer unheimisch. In München moesten ze in het stikdonker overstappen op een andere trein.

De Conte Biancamano was een buitengewoon luxe passagiersschip. Anneke heeft erg goede herinneringen aan deze reis ‘met een zwembad aan boord, leuke Italiaanse obertjes, elke dag pasta, ravioli’s en spaghetti’s met lekkere sausjes; het was een heerlijke reis’. Er was het gebruikelijke tijdverdrijf. Spelletjes aan dek zoals deck quoits en een fancy dress competition. Deze reizen waren altijd heel ontspannend voor Willy, die dan echt vakantie had. Ze had nu geen huishoudelijke taken en de kinderen werden beziggehouden. Er werd eerst aangelegd in Napels, waar vader de kinderen trakteerde op een rijtoer in een rijtuigje, van waaruit ze de Vesuvius zagen. Vervolgens ging de reis door de Golf van Aden. In Aden gingen ze ook van boord. Anneke raakte daar onder de indruk van de lijkverbrandingen en de rondcirkelende gieren. Na Aden deden ze Colombo aan. Nog een aanlegplaats was Singapore, waar ze de publieke tuin bezochten van een rijke Chinees die daar apen hield. De laatste stop vóór Shanghai was Manilla.

Vertrek uit Napels

 

Een sobere kerst

Op 22 december kwam het schip aan in Shanghai, waar de chique warenhuizen helemaal in Christmas sfeer getooid waren. ‘Het was prachtig, het was zo leuk om te zien’, aldus Anneke. Een kleiner kustschip bracht het gezin naar hun woonplaats Tientsin. Het vertrok vanuit Shanghai op tweede kerstdag en kwam op 26 december in Tientsin aan. Het huis was kil en ongezellig. Er was geen kerstboom, geen cadeautjes, geen kerstsfeer, niks! Anneke beleefde het als een enorme domper. Ze riep tegen haar ouders: “t Is toch Kerstmis?”

 

 

Van Harbin naar Amersfoort met de Transsiberië Express

 

 

10 mei, klaar voor vertrek: Frans en Willy met hun vijf kinderen voor het Yamato Hotel in Harbin

Kaviaar bij het ontbijt

In 1939 ging het gezin De Jongh voor de tweede keer op verlof naar Holland. Ze gingen een jaar eerder vanwege de oorlogsdreiging in Europa. De reis ging dit keer niet met de boot, maar met de Transsiberië Express en zou van China tot in het Gooi elf dagen duren, in plaats van vijf à zes weken met de boot. De reis was dus aanzienlijk korter ondanks een gemiddelde snelheid van zestig kilometer per uur en de veelvuldige, langdurige stops die de trein maakte. De trein vertrok uit Vladivostok, maar ze konden al in Harbin opstappen. Eerst ging het in de trein van Tientsin naar Harbin waar ze in het Yamato Hotel, een Japanse keten, logeerden. Harbin, een stad in Mantsjoerije, was van 1904 tot 1905 in het bezit geweest van Rusland. In 1905 viel het in handen van de Japanners. Vanuit Harbin ging de reis over Vladivostok, Irkoetsk, Tomsk en Moskou. Ze hadden met hun gezin twee hele compartimenten in de trein tot hun beschikking, waarvan er een als speelruimte gebruikt werd. De ramen konden met rolgordijnen verduisterd worden. Op 9 mei vertrokken ze uit Tientsin. Er is een foto gemaakt van hun vertrek. De ouders hadden deze reis goed voorbereid en ze brachten veel spelletjes, zoals knipselspelletjes, en boeken aan boord. In de trein reisde nog een gezin; een Engelse familie met drie jongetjes. Met hen maakten de kinderen een hele circusvoorstelling, waar de ouders naar kwamen kijken. De Russische obers hadden schik in al die kinderen en verwenden hen gruwelijk. De steward vroeg iedere ochtend aan Anneke, die hij Anouschka noemde; “You want some caviar?”, waarop ze altijd ja zei, omdat ze het heerlijk vond. “Je bent voor je leven bedorven”, zei haar latere echtgenoot toen hij dit verhaal hoorde.

Wolven in de taiga

Anneke vertelt dat het ook een reuze spannende reis was. Terwijl ze door de besneeuwde taiga’s reden maakte vader de kinderen wijs dat er wellicht wolven te zien waren: “Als je goed kijkt, wie weet zie je misschien wel een wolf.” Anneke voelde zich wel gefopt toen vader achteraf vertelde dat ze geen wolven hadden kunnen zien, want die sloegen natuurlijk bij het geluid van de trein op de vlucht. Vader had daar reuze lol om. Maar het idee dat je een wolf kon zien hield de kinderen goed bezig. Anneke dacht echt dat ze iets had zien bewegen, dat op een wolf leek. Broertje Frans was anderhalf jaar oud en Anneke vond het emaillen potje dat Willy meetroonde heel gênant. Ze herinnert zich van die reis ook het monotone geluid van de rijdende trein en het besneeuwde landschap van Siberië. Er werd een kort bezoek gebracht aan Moskou met zijn Rode Plein. Ze hoorden toen dat de ondergrondse net was voltooid, in 1938. De prachtige stations waren van marmer. De metrotreinen zoefden langs de stations. Alles was even luxueus. De Russen waren apetrots op deze grootsteedse moderniteit. De De Jonghs besloten met de hele familie de stad te bezichtigen en namen de metro. Op een gegeven moment raakte vader bij het uitstappen met Fransje op de arm tussen de deuren bekneld. Met een gezin met jonge kinderen uitstappen duurde kennelijk te lang. Hij kon zich nog net loswringen. Een angstig moment. Maar als Anneke de verdere herinneringen aan deze reis ophaalt wordt ze weer laaiend enthousiast. Ze heeft alles onderweg als één feest en één groot avontuur beleefd.

Na 10 dagen, op 19 mei, kwamen ze in Amersfoort aan en werden ze afgehaald door oom Paul met zijn verloofde Wiesje en zijn zus, tante Wiesje, dit tot teleurstelling van Anneke, die op oma en opa gerekend had.

Anton en Jetje in een van hun rijtuigen, vertrek uit Harbin

Rudolf Dekker spreekt tijdens de boekpresentatie op 8 september 2016

Dordrecht Voorstraat 125, het mooie 18e eeuwse pand van de gebroeders Duinisveld.

Spreker: Rudolf Dekker, coördinator van de Werkgroep (Auto)biografie en Egodocumenten aan het Huizinga Instituut

Kuifje in China

Ik zal hooguit een tipje van de sluier oplichten over het boek dat vandaag gepresenteerd wordt.

En ik moet meteen beginnen te erkennen dat dit de jongste bijstelling van mijn beeld van China is en alleen al om die reden was het interessant om vanaf een vroeg stadium te zien hoe dat tot stand kwam en dat begon dan wat mij betreft met een lezing die Mieke hield voor de werkgroep Egodocumenten van het Huizinga instituut voor Cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. En iedereen die daar bij was, was zeer geïnteresseerd en het boek heeft daarna dan ook in een hoog tempo vorm gekregen. De basis voor mijn Chinabeeld werd midden jaren vijftig gelegd door Kuifje en de Blauwe Lotus spelend in de jaren dertig van de vorige eeuw en dat stripverhaal heeft alle onontbeerlijke ingrediënten. De mythes van de massale kindermoord en het voet inbinden. De archaïsche samenleving met wel een hoogstaande cultuur maar ontwricht door de opium. Arrogante westerlingen en intrigerende Japanners. En in de jaren zestig werd bij mij daaraan weinig  toegevoegd.

Op school leerden we veel over Romeinse keizers maar niets over Chinese keizers. In de jaren 70 volgde ik colleges van professor Wertheim. China was volgens hem inmiddels het mooiste land ter  wereld geworden. Alle mensen waren gelijk onder de leiding van een grote roerganger. Alleen was het nu de derde wereld of ging het nu over een heel andere planeet? Gelijktijdig hielp Simon Leys  met zijn boek Ombres Chinoises ( Chinese schimmen), die daar voor open stond tenminste, mij althans uit de droom. China onder Mao deed niet onder voor Rusland onder Stalin en dan tenslotte daarna bracht de beroemde cineast  Bertolucci met de laatste keizer, The Last Emperor, mij weer helemaal terug bij Kuifje.

Nou ik denk dat mijn achtergrondkennis, of juist het gebrek aan achtergrondkennis, dat ik dat deel met meer Nederlanders, toch meer dan voldoende is om te kunnen genieten van het boek van Mieke over het verblijf van haar oudoom Frans de Jongh in China in de jaren tussen 1919 en 1946

Frans de Jongh: grote nieuwsgierigheid en een kritische blik

Dat boek is, dat is al gezegd , en iedereen weet het,  gebaseerd op zijn brieven en zijn memoires , egodocumenten dus,  en dat is waar onze interesses overlappen. En trouwens ook de privé foto’s die de brieven aanvullen kunnen worden gezien worden als visueel egodocument. Zo’n uitgebreide correspondentie uit die uithoek van de wereld is per definitie zeldzaam en interessant. Mieke heeft er voor gekozen om  de brieven niet integraal uit te geven en ook niet om een boek te schrijven over die tijd in China waarin de brieven dan weer gereduceerd worden tot korte citaten en vooral met een hoog anekdotisch gehalte. Het is een gulden middenweg geworden. Er wordt voldoende achtergrond gegeven om  de brieven te kunnen begrijpen maar de brieven zelf komen via lange en goed gekozen passages ook heel goed uit de verf en tot hun recht. En die achtergrond die zij geeft is natuurlijk nodig niet alleen over China maar ook over de familie, het Nederlandse  thuisfront, misschien niet voor alle aanwezigen maar wel voor de overige lezers. We kunnen dankzij dit boek het China uit deze tijd zien door de ogen van een Nederlander die in 1919 in dat land ging werken zonder Chinees te kennen, en zonder al te veel van dat land te weten maar wel met grote nieuwsgierigheid en een kritische blik en het vermogen om over wat hij ziet en wat hij meemaakt dan weer op zeer leesbare wijze verslag te doen voor de lezers van zijn brieven. Ik geef een paar korte voorbeelden.

In 1919 al tijdens zijn reis naar de Oost ziet Frans de Jongh tijdens het bunkeren van kolen in Port Saïd honderden, ik citeer ‘honderden, kerels zwoegen als mieren ik heb nog nooit zo hard zo onmenselijk zien werken het was hopeloos om aan te zien’ en dan verderop het traject richting de Oost maakt hij mee hoe afgeleefde koelies op de terugreis naar China bij bosjes aan boord sterven. Ik citeer weer heel even. ‘Hier in onze ruime eerste klas kan men niet geloven dat er zoveel ellende nog is op dit kleine schip en niemand die maar ook iets van enig mededogen bezit’. Het is geen toeval dat hij Multatuli’s Max Havelaar heeft gelezen en uit Nederland ook nog een exemplaar van dat boek krijgt toegestuurd.

Typerend is ook zijn verslag van een ontmoeting met een pater die hem vertelt over het vermoorden van pas geboren meisjes en het inbinden van voeten en dan schrijft hij ‘ik zal zelf eens trachten te weten te komen hoe het is’. En het is deze houding die deze en andere egodocumenten zo belangrijk maakt voor historici. Ze geven een unieke en persoonlijke inkijk in het verleden, die totaal verschilt van wat we in andere bronnen, met name overheidsarchieven,  kunnen vinden. Het belang van deze egodocumenten is trouwens nog niet zo lang erkend in wetenschappelijke kringen. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw vond men egodocumenten, autobiografieën, memoires maar ook brieven maar dubieuze bronnen. Historici moesten zich baseren op overheidsarchieven want daarin zou de objectieve waarheid gevonden kunnen worden. Egodocumenten golden toen als subjectief , van twijfelachtig allooi, hooguit goed om hier en daar een illustratieve  anekdote uit te drukken.

Het belang van egodocumenten voor de geschiedenis

In Nederland is dat gaan veranderen sinds Jacques Presser het woord egodocument uitvond en er voor pleitte om ook dat soort bronnen serieus te nemen. In de eerste plaats omdat men zich realiseerde dat bijvoorbeeld de geschiedenis van Rusland onder Stalin niet geschreven kan worden op grond van overheidsarchieven zonder de persoonlijke verhalen uit de Goelag mee te nemen.

Hetzelfde geldt trouwens voor China onder Mao. Maar  ook voor het vooroorlogse China uit de tijd van Frans de Jongh. En hoe zou je uit overheidsarchieven kunnen leren hoe mensen de geschiedenis hebben beleefd. Dat soort mentaliteits- of cultuurgeschiedenis is sinds ongeveer 1980 steeds belangrijker geworden. En dan valt ook op hoe zeldzaam zulke egodocumenten eigenlijk zijn.

Hoeveel correspondenties uit China  in de jaren twintig en dertig zijn er bewaard? Ik denk dat de brieven van Frans de Jongh behoorlijk uniek zijn. Er is vanuit de bibliotheek en het archiefwezen nog maar weinig of eigenlijk niets ondernomen om dit belangrijke cultuurgoed te redden. Er ligt ongetwijfeld nog veel thuis bij mensen op zolder maar hoe vaak is er iemand die het belang inziet en er dan ook nog eens een boek overschrijft. Er is tot op heden nog maar één initiatief en dat is een particulier initiatief, het Nederlandse dagboekarchief, dat heeft ruimte gevonden in het P.J. Meertens instituut in Amsterdam maar dat is afhankelijk van giften, maar heeft wel een mooie verzameling van dit soort documenten opgebouwd. En mijn eigen bijdrage op dit terrein is een volledige lijst plus beschrijving van Nederlandse egodocumenten van 1500 tot 1918 precies voor de tijd dat deze briefwisseling begint

Steeds meer interesse in het verleden van de eigen familie

Gelukkig is er de laatste jaren wel veel meer interesse gekomen voor het verleden van de eigen familie. In dat opzicht past het boek van Mieke in een recente ontwikkeling, die is ingezet met bekende boeken als Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer of Het Pauperparadijs van Suzanna Jansen. Maar een boek als Hier in het Oosten alles wel  is er nog niet en ik hoop dan ook dat het boek veel lezers zal vinden en ik ben ook zeer benieuwd naar de presentatie die nu volgt.

Hieronder de uitnodiging voor mijn lezing op 10 oktober 2014

Huizinga Instituut

Onderzoekschool voor Cultuurgeschiedenis Research Institute and Graduate school of Cultural History

 
 Johan Huizinga

Bijeenkomst Werkgroep (Auto)biografie/Egodocumenten

Datum: Vrijdag 10 oktober 2014
TIjd: Aanvang 14.00 (Borrel na afloop)
Locatie: Bungehuis (Universiteit van Amsterdam), Spuistraat 210 Amsterdam, Zaal 1.01

In verband met de beperkte plaatsruimte, graag aanmelden bij:
Rudolf Dekker: email: rdekker123@gmail.com

LEZINGEN

Mark Loderichs
Dagboek van de Java-oorlog. Het journal de campagne van Comte Edouard Errembault de Dudzeele et Orroir, 1825-1830.

Mieke Kiebert-Melief
Een Amsterdamse familie in China, 1919-1946. Onderzoek gebaseerd op de brieven van Frans de Jongh (1919-1946) en de herinneringen van zijn dochter Anneke Knüppe-de Jongh (geboren 1930).

Presentatie van Jan Struys,
Rampspoedige reizen door Rusland en Perzië in de zeventiende eeuw, uitgegeven en hertaald door Kees Boterbloem (Uitgeverij Panchaud, ISBN/EAN 978-90-820779-3-3).

 

 

Kerstmis in Weihsien

Deze kerstkaart werd gemaakt door een gevangene in Weihsien, het jappenkamp voor geallieerde burgers in Noord-China.  Hoewel er een groot tekort was aan papier, inkt, kleurpotloden of verf, lukte het de geïnterneerden toch om van de laatste restjes mooie kaarten en affiches te maken.  De geïnterneerden waren vaak ernstig ondervoed maar spaarden ook voedsel om met kerst iets extra’s op tafel te kunnen zetten. Voor de kinderen werd speelgoed gemaakt van materiaal dat afkomstig was van de afvalhopen in het kamp. Het was erg moeilijk om te communiceren met de buitenwereld.  Af en toe mochten  de gevangenen een berichtje naar hun families sturen op een klein Rode Kruis formulier. De meeste brieven werden achtergehouden door de Japanse staf en op een stapel in een schuurtje bewaard. Toch slaagden de bewoners  er op heldhaftige wijze in om de moed niet te verliezen en om vooral de moeilijkheden zoveel mogelijk voor hun kinderen te verbergen.

 

Hoop op betere tijden

Met weemoed zullen  de geïnterneerden in het kamp teruggedacht hebben aan de onbezorgde kerstfeesten, die ze voor de oorlog vierden in mooie verdragssteden als Hong Kong, Tientsin en Shanghai. Op de kerstkaart van 1936, die de ouders van Anneke de Jongh aan vrienden en familie stuurden, zien we een gelukkig en welvarend gezin. Ook  hun brieven van voor de oorlog vertellen over de feestelijke kerstdagen. Ieder jaar stond er bij de De Jonghs in de hoek achter de divan een kingsize boom, die pas na een sobere Adventsperiode van vier lange weken, op de dag voor kerst opgetuigd mocht worden, hetgeen de taak van vader Frans was. De volgorde was belangrijk, eerst de piek, dan de kaarsjes, dan de slingers. De losse ballen mochten pas op het laatst in de boom gehangen worden. Er stond een teil water naast met een steelpannetje, om een eventuele brand te kunnen doven. De kampbewoners verlangden juist met kerstmis wanhopig naar vrede in China.

Frans schrijft op Kerstmis-avond 1940, dat ze kerst dit jaar goed gingen vieren, omdat het kerstfeest in 1939 helemaal in het water gevallen was vanwege een zeereis uit Europa. Ze hadden nu een grote kerstboom, veel cadeautjes en lekkers en er was een maaltijd met kalkoen gepland voor vijftien mensen. De jezuïet Klok logeerde bij hen. Willy schrijft op 28 december 1940:

Met kerst was het erg gezellig in huis

Ik hou van een huis vol mensen. De kalkoenen waren verrukkelijk. Ze hadden al tien dagen op hun erf rondgelopen. Antoon had reuze schik gehad met die beesten, enig om te zien. De kersttafel was versierd met kabouters, poinsettia en minikerstboompjes. De hele familie kreeg een souveniertje. De volgende dag hebben we koude kalkoen gehad met niertjes en gebakken eieren voor lunch & geen warm eten want de jeugd had al drie dagen een party & gelukkig geen van allen ziek geweest. Ik heb hele potten poinsettia’s en bloesem staan en hoop ze over te houden tot het nieuwe jaar. Oudejaarsavond heb ik mensen voor dinner & daarna naar de Country Club. We gaan zelden uit, maar zulke feestdagen moeten herdacht worden. […] Kleine Frans probeerde direct de lollypops en de chocola uit de boom te halen. Morgen gaat de jeugd schaatsen. Het is heerlijk zonnig weer en de koude valt dit jaar erg mee. Ik zou thuis best even om het hoekje willen kijken…

Het kantoor van de Holland China Trading Company in Shanghai

 

Het kantoor van de Holland-China-Handelsmaatschappij

 

 

Het kantoor van Frans de Jongh in 1923.  Je ziet Chinees, Europees en Portugees personeel aan het werk. Frans werkte eerst in  de boekhouding, later in de verzekeringen en sundries (diverse artikelen).  Het werk in de verzekering was vrij riskant. Een aantal bij de HCTC of in het Hollands HCHC ( Holland China Handels Compagnie) verzekerde  Chinese gebouwen en schepen brandden af zonder verklaarbare reden en onder verdachte omstandigheden, de fraude was moeilijk te bewijzen. Het kantoor was ook Shipping Agent voor de Java-China-Japan Lijn, waarmee men  tabak, bonen,  rijst en steenkool naar Java exporteerde, en producten als  suiker, olie en rotan in China importeerde. Een ander ‘exportartikel’ waren de koelies voor de tinmijnen op Bangka In Nederlandsch Indië.  Dit vervoer was zeer omstreden. Veel repatrianten, ook kinderen en baby’s,  stierven op weg naar hun vaderland China, weliswaar met een volle geldbuidel maar volledig uitgeput na het jarenlange gezwoeg in de mijnen en de onmenselijke omstandigheden aan boord van De JCJL schepen. Ook Slauerhoff die op de JCJL voer vertelt hierover in zijn boek Het leven op aarde, van 1953. De Java-China-Japanlijn werd na de Tweede Wereldoorlog omgedoopt tot de KJCPL, de Koninklijke Java-China Paketvaart Line. Men wilde niets meer met Japan te maken hebben. Lees meer over de Java-China-Japanlijn in voetnoot 25 van Hier in het Oosten alles wel.

 

De Tjimanoek     

De Tjimanoek, courtesy of H.A.Slettenaar secretaris van de KJCPL

De Tjimanoek was het schip waarmee Frans de Jongh van Tandjong Priok naar Hong Kong en Shanghai voer. De schepen van de Java-China-Japanlijn droegen namen met het voorvoegsel Tji.  Ze waren vernoemd naar Javaanse rivieren.(zie voetnoot 25 van Hier in het Oosten alles wel) De foto ziet er wat dreigend uit en geeft zo ook de grimmige sfeer weer van die aan boord heerste. Frans was er geschokt door. De twee volgende citaten uit mijn boek maken dat begrijpelijk:

 

Veel prettige ervaringen, maar ook veel ellende aan boord. Wij nieuwelingen, versch uit Europa, wij beschouwen alle menschen nog gelijk. Slavernij bestaat voor ons niet maar hier in het oosten zien wij anders. Er zijn hier aan boord buiten ons nog 1800 andere menschen, werkelijk menschen, maar die hier slechts lading beteekenen. Het zijn Chineezen uit Indië, die terugkeeren naar hun land, afgeleefde & versleten koelies uit de Tinmijnen, maar ook geheele families, vrouwen & kinderen, zij liggen hier opgepakt in het bagageruim en op het dek, tusschen kisten en tonnen, geen ruimte om zich te bewegen, het is onbegrijpelijk hoe in die kleine bekrompen ruimte nog 1800 menschen leven kunnen, veel volbrengen hun reis niet, die oude en versleten mijnkoelies, als onbruikbaar uit Banka en Billiton weggestuurd, kunnen het niet doorstaan, ook de kleine wichtjes van nauwelijks eenige weken & die hier nog geboren worden, kunnen in die stank & hitte niet leven & sterven hier, wij zijn nog geen 3 dagen onderweg & ik geloof dat er reeds 20 gestorven zijn, er is wel geneeskundige hulp aan boord, maar tegen gebrek aan lucht & ruimte kan de dokter ook niets doen & kan zich slechts bepalen om de dood vast te stellen, waarna onmiddellijk de primitieve zeebegrafenis plaats heeft. Hier in onze ruime 1e klas kan men niet gelooven dat er zoveel ellende nog is op dit kleine schip & niemand die ook maar iets van eenig medegevoel bezit, voor hen zijn het geen menschen, dieren zouden er niet met minder zorg behandeld worden. Ik heb gisteren alles gezien, er moest telling gehouden worden & controle van passagebewijzen & alle menschen moesten daarvoor op het achterdek komen & dan één voor één de gang door naar het voordek – het duurde de geheele dag & aan eten of drinken werd niet gedacht. Ik zag dat er zelfs wel welgestelde families onder waren. Allerliefste kindertjes, met die grappige kale kopjes & zoo’n klein haarpluimpje voor op hun hoofd, vrouwtjes met hun kleine bokkepootjes, waarop zij bijna niet kunnen loopen, een voorzorg opdat zij niet van hun man kunnen loopen. [1] De kapitein vertelde dat er onder waren die schatrijk zijn, maar er bestaat geen andere gelegenheid om weg te koomen & zij wagen hun leeven om de reis te doen, wellicht betalen zij even veel als ik, 1e klas, want alle plaatsen worden direct door chineezen opgekocht en tegen fabelachtige prijzen aan de passagiers verkocht.

[1]De term ‘bokkepootjes’ refereert aan ingebonden voeten.

Ook de schrijver/dichter J. J. Slauerhoff die in die jaren als scheepsarts op de Tjimanoek en andere schepen van de JCJL voer, bevestigde het bovenstaande schokkende verhaal. [1]Als scheepsarts voelde hij zich machteloos, kon hij alleen maar doodzieke mensen onderzoeken en de dood van de overledenen vaststellen. Hij zag de opeengepakte koelies op de ijzeren tussendekken tussen de lading, met geslonken spieren en ingevallen wangen, die naar China terugkeerden na vijf jaar zwoegen in de giftige tinmijnen en de bloedhete rubberplantages. Ze hadden wel een dikke gordel met geld, maar waren volledig versleten. Hij beschreef met veel mededogen de baby’s en de oude mensen. ‘Er zijn pasgeborenen, die mollig en zacht zijn als kleine weekdieren, wier grote bruine ogen zo open en week in het kleine gelaat liggen. En ook stokouden wier slappe huid als een te ruim gewaad om murwe beenderen hangt, die alleen terugkeren om in het land te sterven […] sommigen stierven al aan boord, op het achterdek stonden evenveel kisten als sloepen, zij rustten op een laag ongebluste kalk, het deksel tegen hun gezicht. Maar zij kwamen toch thuis in het vaderland China. Uit het tussendek steeg gegons en gesis op, als van een enorm insect dat op- en neergaand geluid voortbracht, een geur walmde naar boven, hing over het schip.’ De mensen stikten half in het ruim. Over de aankomst in China: ‘Ik heb van de opvarenden geen van alle gekend, geen enkele onderscheiden uit de massa. Vijftienhonderd hebben meegeleefd op dezelfde kleine ruimte, zestien dagen lang, zonder toenadering. Het is leeg en stil nu ze weg zijn en de stank wordt minder. Dat is alles. En nu in China zijn er vijftienhonderd mensen meer, dat is niets!’

[1] Jan Jacob Slauerhoff, Het Leven op Aarde (’s Gravenhage: Nijgh & van Ditmar, 1953, derde druk), pp. 5-6.

De heer Slettenaar die mij de foto stuurde meldde de volgende gegevens. De TJIMANOEK, 5628 brt, was in 1911 gebouwd bij Wilton Feijenoord in Rotterdam, en werd aangedreven door een 3 cilinder triple expansie stoommachine en kon een snelheid bereiken van 11,5 knopen. Aan boord was ruimte voor 12 passagiers in de 1e klas, 18 in de 2e klas, 56 in de 3e klas en 692 tussendekpassagiers. Vooral dat laatste gegeven geeft enorm te denken. De 692 tussendekpassagiers reisden dus in die erbarmelijke omstandigheden, samengeperst in het ruim.