Rudolf Dekker spreekt tijdens de boekpresentatie op 8 september 2016

Dordrecht Voorstraat 125, het mooie 18e eeuwse pand van de gebroeders Duinisveld.

Spreker: Rudolf Dekker, coördinator van de Werkgroep (Auto)biografie en Egodocumenten aan het Huizinga Instituut

Kuifje in China

Ik zal hooguit een tipje van de sluier oplichten over het boek dat vandaag gepresenteerd wordt.

En ik moet meteen beginnen te erkennen dat dit de jongste bijstelling van mijn beeld van China is en alleen al om die reden was het interessant om vanaf een vroeg stadium te zien hoe dat tot stand kwam en dat begon dan wat mij betreft met een lezing die Mieke hield voor de werkgroep Egodocumenten van het Huizinga instituut voor Cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. En iedereen die daar bij was, was zeer geïnteresseerd en het boek heeft daarna dan ook in een hoog tempo vorm gekregen. De basis voor mijn Chinabeeld werd midden jaren vijftig gelegd door Kuifje en de Blauwe Lotus spelend in de jaren dertig van de vorige eeuw en dat stripverhaal heeft alle onontbeerlijke ingrediënten. De mythes van de massale kindermoord en het voet inbinden. De archaïsche samenleving met wel een hoogstaande cultuur maar ontwricht door de opium. Arrogante westerlingen en intrigerende Japanners. En in de jaren zestig werd bij mij daaraan weinig  toegevoegd.

Op school leerden we veel over Romeinse keizers maar niets over Chinese keizers. In de jaren 70 volgde ik colleges van professor Wertheim. China was volgens hem inmiddels het mooiste land ter  wereld geworden. Alle mensen waren gelijk onder de leiding van een grote roerganger. Alleen was het nu de derde wereld of ging het nu over een heel andere planeet? Gelijktijdig hielp Simon Leys  met zijn boek Ombres Chinoises ( Chinese schimmen), die daar voor open stond tenminste, mij althans uit de droom. China onder Mao deed niet onder voor Rusland onder Stalin en dan tenslotte daarna bracht de beroemde cineast  Bertolucci met de laatste keizer, The Last Emperor, mij weer helemaal terug bij Kuifje.

Nou ik denk dat mijn achtergrondkennis, of juist het gebrek aan achtergrondkennis, dat ik dat deel met meer Nederlanders, toch meer dan voldoende is om te kunnen genieten van het boek van Mieke over het verblijf van haar oudoom Frans de Jongh in China in de jaren tussen 1919 en 1946

Frans de Jongh: grote nieuwsgierigheid en een kritische blik

Dat boek is, dat is al gezegd , en iedereen weet het,  gebaseerd op zijn brieven en zijn memoires , egodocumenten dus,  en dat is waar onze interesses overlappen. En trouwens ook de privé foto’s die de brieven aanvullen kunnen worden gezien worden als visueel egodocument. Zo’n uitgebreide correspondentie uit die uithoek van de wereld is per definitie zeldzaam en interessant. Mieke heeft er voor gekozen om  de brieven niet integraal uit te geven en ook niet om een boek te schrijven over die tijd in China waarin de brieven dan weer gereduceerd worden tot korte citaten en vooral met een hoog anekdotisch gehalte. Het is een gulden middenweg geworden. Er wordt voldoende achtergrond gegeven om  de brieven te kunnen begrijpen maar de brieven zelf komen via lange en goed gekozen passages ook heel goed uit de verf en tot hun recht. En die achtergrond die zij geeft is natuurlijk nodig niet alleen over China maar ook over de familie, het Nederlandse  thuisfront, misschien niet voor alle aanwezigen maar wel voor de overige lezers. We kunnen dankzij dit boek het China uit deze tijd zien door de ogen van een Nederlander die in 1919 in dat land ging werken zonder Chinees te kennen, en zonder al te veel van dat land te weten maar wel met grote nieuwsgierigheid en een kritische blik en het vermogen om over wat hij ziet en wat hij meemaakt dan weer op zeer leesbare wijze verslag te doen voor de lezers van zijn brieven. Ik geef een paar korte voorbeelden.

In 1919 al tijdens zijn reis naar de Oost ziet Frans de Jongh tijdens het bunkeren van kolen in Port Saïd honderden, ik citeer ‘honderden, kerels zwoegen als mieren ik heb nog nooit zo hard zo onmenselijk zien werken het was hopeloos om aan te zien’ en dan verderop het traject richting de Oost maakt hij mee hoe afgeleefde koelies op de terugreis naar China bij bosjes aan boord sterven. Ik citeer weer heel even. ‘Hier in onze ruime eerste klas kan men niet geloven dat er zoveel ellende nog is op dit kleine schip en niemand die maar ook iets van enig mededogen bezit’. Het is geen toeval dat hij Multatuli’s Max Havelaar heeft gelezen en uit Nederland ook nog een exemplaar van dat boek krijgt toegestuurd.

Typerend is ook zijn verslag van een ontmoeting met een pater die hem vertelt over het vermoorden van pas geboren meisjes en het inbinden van voeten en dan schrijft hij ‘ik zal zelf eens trachten te weten te komen hoe het is’. En het is deze houding die deze en andere egodocumenten zo belangrijk maakt voor historici. Ze geven een unieke en persoonlijke inkijk in het verleden, die totaal verschilt van wat we in andere bronnen, met name overheidsarchieven,  kunnen vinden. Het belang van deze egodocumenten is trouwens nog niet zo lang erkend in wetenschappelijke kringen. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw vond men egodocumenten, autobiografieën, memoires maar ook brieven maar dubieuze bronnen. Historici moesten zich baseren op overheidsarchieven want daarin zou de objectieve waarheid gevonden kunnen worden. Egodocumenten golden toen als subjectief , van twijfelachtig allooi, hooguit goed om hier en daar een illustratieve  anekdote uit te drukken.

Het belang van egodocumenten voor de geschiedenis

In Nederland is dat gaan veranderen sinds Jacques Presser het woord egodocument uitvond en er voor pleitte om ook dat soort bronnen serieus te nemen. In de eerste plaats omdat men zich realiseerde dat bijvoorbeeld de geschiedenis van Rusland onder Stalin niet geschreven kan worden op grond van overheidsarchieven zonder de persoonlijke verhalen uit de Goelag mee te nemen.

Hetzelfde geldt trouwens voor China onder Mao. Maar  ook voor het vooroorlogse China uit de tijd van Frans de Jongh. En hoe zou je uit overheidsarchieven kunnen leren hoe mensen de geschiedenis hebben beleefd. Dat soort mentaliteits- of cultuurgeschiedenis is sinds ongeveer 1980 steeds belangrijker geworden. En dan valt ook op hoe zeldzaam zulke egodocumenten eigenlijk zijn.

Hoeveel correspondenties uit China  in de jaren twintig en dertig zijn er bewaard? Ik denk dat de brieven van Frans de Jongh behoorlijk uniek zijn. Er is vanuit de bibliotheek en het archiefwezen nog maar weinig of eigenlijk niets ondernomen om dit belangrijke cultuurgoed te redden. Er ligt ongetwijfeld nog veel thuis bij mensen op zolder maar hoe vaak is er iemand die het belang inziet en er dan ook nog eens een boek overschrijft. Er is tot op heden nog maar één initiatief en dat is een particulier initiatief, het Nederlandse dagboekarchief, dat heeft ruimte gevonden in het P.J. Meertens instituut in Amsterdam maar dat is afhankelijk van giften, maar heeft wel een mooie verzameling van dit soort documenten opgebouwd. En mijn eigen bijdrage op dit terrein is een volledige lijst plus beschrijving van Nederlandse egodocumenten van 1500 tot 1918 precies voor de tijd dat deze briefwisseling begint

Steeds meer interesse in het verleden van de eigen familie

Gelukkig is er de laatste jaren wel veel meer interesse gekomen voor het verleden van de eigen familie. In dat opzicht past het boek van Mieke in een recente ontwikkeling, die is ingezet met bekende boeken als Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer of Het Pauperparadijs van Suzanna Jansen. Maar een boek als Hier in het Oosten alles wel  is er nog niet en ik hoop dan ook dat het boek veel lezers zal vinden en ik ben ook zeer benieuwd naar de presentatie die nu volgt.

Hieronder de uitnodiging voor mijn lezing op 10 oktober 2014

Huizinga Instituut

Onderzoekschool voor Cultuurgeschiedenis Research Institute and Graduate school of Cultural History

 
 Johan Huizinga

Bijeenkomst Werkgroep (Auto)biografie/Egodocumenten

Datum: Vrijdag 10 oktober 2014
TIjd: Aanvang 14.00 (Borrel na afloop)
Locatie: Bungehuis (Universiteit van Amsterdam), Spuistraat 210 Amsterdam, Zaal 1.01

In verband met de beperkte plaatsruimte, graag aanmelden bij:
Rudolf Dekker: email: rdekker123@gmail.com

LEZINGEN

Mark Loderichs
Dagboek van de Java-oorlog. Het journal de campagne van Comte Edouard Errembault de Dudzeele et Orroir, 1825-1830.

Mieke Kiebert-Melief
Een Amsterdamse familie in China, 1919-1946. Onderzoek gebaseerd op de brieven van Frans de Jongh (1919-1946) en de herinneringen van zijn dochter Anneke Knüppe-de Jongh (geboren 1930).

Presentatie van Jan Struys,
Rampspoedige reizen door Rusland en Perzië in de zeventiende eeuw, uitgegeven en hertaald door Kees Boterbloem (Uitgeverij Panchaud, ISBN/EAN 978-90-820779-3-3).

 

 

Mieke Melief

Klik hier om een reactie achter te laten

Laat een reactie achter: